Van Saigon naar Angkor
Met gespannen verwachting keken we uit naar een wel zeer bijzondere reis.
We hadden het tempelcomplex van Angkor al een hele tijd op nummer één van ons verlanglijstje staan en ik ontdekte een héél originele manier om er naartoe te reizen:
Met het vliegtuig naar Vietnam (via Frankfurt) en dan vanuit Ho Chi Minh stad (het vroegere Saigon) de boot op voor een riviercruise.
De RV Indochine zal ons langs de Mekong, en via de Tonle Sap rivier, in 9 dagen naar Siem Reap brengen, waar we nog enkele dagen in een hotel vlakbij de tempels van Angkor zullen verblijven.
Vandaag donderdag 2 december 2010 is het zover.
We worden aan de deur opgepikt door de luchthaventaxi om kwart voor zes in de morgen.
Maar onze chauffeur is twintig minuten te vroeg: “Heb je al eens buiten gekeken?” vraagt hij bij wijze van niet al te geslaagde noch vriendelijke verontschuldiging.
De wereld is wit, België ondervindt net nu een heel vroege winterprik.
Ik vraag me af wanneer weervoorspellers voor het eerst dit woord zijn beginnen gebruiken.
Winterprik, het klinkt als een inenting TEGEN iets, terwijl het iets is, dat je gewoon moet ondergaan.
Omdat onze chauffeur niet binnen wil komen, maar dramatisch in de wagen gaat zitten wachten haspelen we de laatste voorbereidselen in ijltempo af.
De kat wordt, dit keer zonder fluwelen handschoentjes, in zijn mand gedropt. Buurvrouw komt voor jou zorgen zeg ik tegen een kattenkop met oortjes die tot in de nek zijn platgedrukt.
En terwijl ik naar buiten spurt probeer ik de sneeuw uit mijn zomerschoenen te houden.
Maar ondanks de slechte wegen en dankzij de juiste routekeuze van onze chauffeur, halen we moeiteloos en tijdig de luchthaven.
Het volgende probleem stelt zich wanneer we de bagage willen inchecken.
Onze spikspinternieuwe-superdeluxe reiskoffer springt open.
We hebben hem gesloten met cijferslot en met twee sleuteltjes, maar dat mag allemaal niet baten hij springt open zodra we hem op de band van de incheckbalie zetten.
We laten hem intapen in plastic, hopen er het beste van en kopen alvast twee kofferriemen voor de terugreis.
Onze vlucht naar Frankfurt heeft vertraging door het slechte weer, maar daar zitten we niet mee omdat we een zee van tijd hebben, we moeten immers zo’n vijf uur zoet maken op de luchthaven.
Het valt niet mee om in Frankfurt een hapje te vinden, tenzij je er een dubbele incheck voor over hebt. Maar we vinden uiteindelijk een hamburger broodje, dat er met een Duits biertje ingaat als een kerstmarkthapje.
Op die manier wordt het wel héél erg moeilijk om de kerstbomen in de luchthaven te negeren.
Maar we vertrekken naar de zon.
Kerst kan nog even wachten.
De zon blijkbaar ook.
Uren later zitten we nog steeds te rillen in een ijskoude vertrekhal.
Er zou een technisch defect aan het toestel zijn. Wanneer en of het kan opgelost worden weet niemand.
Maar we moeten in de buurt blijven. Elk uur volgt een update en we krijgen ijskoude drankjes en half vervroren sandwiches.
Uiteindelijk valt het verdict: we geraken vandaag niet meer weg.
Er worden bussen ingezet die ons naar een hotel in de buurt zullen brengen en we belanden in hotel Maritim in Darmstadt op 25 minuten van de luchthaven van Frankfurt.
Als je onderweg bent naar Saigon is Darmstadt wel even een afknapper moet ik zeggen.
Maar we maken er het beste van en gaan vroeg naar bed…je weet maar nooit of ze ons morgen al heel vroeg zullen komen wekken.
Maar dat doen ze niet, we versterken de inwendige mens met een overigens heel lekker en gevarieerd ontbijt en gaan dan doen wat we gisteren ook al de hele dag deden: wachten!!
’s Middags krijgen we eindelijk bericht dat we naar de luchthaven gebracht zullen worden.
Maar de bus cirkelt om de luchthaven heen en houdt halt bij een ander hotel, het Steinbergerhotel.
We moeten uitstappen en worden ingeboekt , informatie sijpelt minder dan minimaal door.
We zullen hier enkel de lunch nemen, even wat rusten op een kamer en dan toch nog vertrekken. Er zijn er al vertrokken. Of toch niet?
Sommigen zullen vandaag vertrekken. Iedereen vertrekt vandaag nog. De geruchtenmolen draait op volle toeren.
Ik neem contact op met mijn dochter die het reisbureau thuis belt.
Daar vreest men dat we hier misschien toch nog een nacht zullen vastzitten.
Vietnam airlines is verantwoordelijk, maar die mensen schitteren door hun afwezigheid.
De moed zinkt ons in de schoenen. We hebben geen bagage en kunnen geen propere kleren aantrekken. Ik had één reserveslipje in mijn handbagage en als ik me dat laat ontvallen word ik jaloers aangestaard door medelotgenoten. We kunnen ook niet buiten met de kleren die we nu aan hebben, want het is nog steeds ijskoud. En bovendien, waar zouden we heengaan?
Het enige goede nieuws is, dat de boot op ons zal wachten. De cruise op de Mekong vertrekt niet zonder ons, belooft mijn dochter ons in elk geval.
Na de lunch waar de superieure kwaliteit van het hotel zich niet vertaalt in de kwaliteit van de gratis maaltijd, maar wel in de prijs van een glas wijn ga ik naar de sauna.
Daar heb je tenminste geen kleren voor nodig, maar de sauna is gesloten en met lede ogen staar ik naar het zwembad, waar ik bij gebrek aan bikini niet in kan. Ik ga dan maar in een warm bad liggen weken.
Dan blijven mijn kleren proper en ik ook.
De verveling wordt tastbaar.
We breken ons het hoofd om een tijdverdrijf te vinden voor in een hotelkamer, waar je geen kleren voor nodig hebt. Maar blijkbaar zijn we niet creatief genoeg.
Om vijf uur ’s avonds hebben we rendez-vous, nu zullen we het gaan weten.
Om zes uur zullen we het gaan weten, maar we geloven er niet meer in en bereiden ons voor op nog maar eens een nacht in het exotische Duitsland. Dit wordt mogelijk het kortste reisverslagje ooit.
Maar dan ineens worden we blij verrast, de motoren zijn getest, we worden opgehaald om 7 uur, we vliegen vanavond nog naar Saigon.
De helft van de gestrande reizigers is intussen effectief al omgeleid via Hanoi en dus hebben we een zee van ruimte in het vliegtuig.
Jos en ik slaan allebei drie zetels aan en strekken ons uit voor de nacht.
En dan kan ik eindelijk de zin schrijven die ik al zolang heb gerepeteerd.
We zetten voor het eerst voet op Vietnamese bodem.
Het is 4 december in de namiddag, we zijn anderhalve dag te laat.
Vietnam is ongeveer zo groot als Duitsland en telt 87 miljoen inwoners.
Het grenst aan China, Laos en Cambodja.
De Vietnamezen zeggen zelf dat het de vorm heeft van een bamboestok met aan weerszijden de twee grote manden waarin ze traditioneel hun goederen naar de markt brengen.
De ene mand is de delta van de Rode rivier, maar de mand waar wij zullen in onderduiken is die van de Mekong Delta.
Het Vietnamese volk (de Kinh) beweert af te stammen van Au Co, die broedde op 100 eieren waar even zoveel reuzen uit kwamen.
De oudste daarvan stichtte in 2879 v.C. de Hung-dynastie.
De Vietnamese cultuur is sterk beïnvloed door de Chinese, niet verwonderlijk, want de Vietnamezen zijn oorspronkelijk afkomstig uit China en het land was lange tijd een Chinese provincie.
Vietnam ontsnapte ook niet aan de kolonisatiegolf van de Fransen, en tijdens de tweede wereldoorlog werd het land binnengevallen door de Japanners.
Na de aanval op Hiroshima die de nederlaag van de Japanners betekende, greep Ho Chi Minh zijn kans.
Na zijn oktober-revolutie riep hij de onafhankelijkheid van Vietnam uit.
Maar de Fransen zagen dat niet zitten, zij wilden na de oorlog hun koloniale bewind verder zetten.
Wat volgde was een acht jaar durende oorlog en uiteindelijk de splitsing van Vietnam door de Geneefse conventie.
Noord-Vietnam werd een communistische republiek onder Ho Chi Minh die de hereniging van het land opeiste en hierbij op de steun van de Vietcong in Zuid-Vietnam kon rekenen.
Omdat de Amerikanen een bedreiging zagen voor de andere niet-communistische landen van de regio (het zogeheten domino-effect) besloten zij te interveniëren met alle noodlottige en welgekende gevolgen vandien.
Er volgde een 30 jaar durende oorlog, die het leven kostte aan 3 miljoen Vietnamezen.
Na de oorlog volgde een intellectuele en religieuze repressie in het zuiden en de wereld leerde het fenomeen “bootvluchteling” kennen. Zuid-Vietnamezen ontvluchtten het land op alles wat maar enigszins drijven kon.
Maar intussen heeft het land een grote evolutie doorgemaakt.
Mede de val van de Sovjet Unie heeft er voor gezorgd dat er nu een politiek van populair kapitalisme wordt gevoerd.
Het land opende zijn grenzen voor toerisme, handel en investeringen.
Omdat we dus anderhalve dag te laat zijn aangekomen en de boot vanavond al afvaart probeert de gids ons in ijltempo nog zoveel mogelijk van Saigon te laten zien.
We negeren het feit dat we intussen drie dagen in de zelfde kleren rondlopen en er net een nachtvlucht van elf uur hebben opzitten en met een stiff upperlip, die we tot glimlach plooien beginnen we er aan.
Sinds de hereniging van Vietnam in 1975 is Saigon omgedoopt in Ho Chi Minhstad
Ho Chi Minhstad heeft officieel 4,5 miljoen inwoners en is daarmee de grootste stad van Vietnam. Het is het economische centrum van het land.
Je vindt er nog een paar koloniale gebouwen, maar de stad vertoont alsmaar meer spectaculaire hoogbouw.
Het hier erg druk. De brommers zoeven je om de oren met man, vrouw en eventueel ook nog één of twee kinderen in ongelooflijke evenwichtsoefening op 2 wielen.
De straat oversteken kan, maar vraagt een zekere koelbloedigheid.
Onze gids legt de regels uit: gewoon de straat opgaan, niet stoppen, niet rennen, gewoon stap voor stap vorderen.
Bij ieder verkeerslicht staan pakken brommers te wachten, kriskras door en naast elkaar, de hele breedte van de straat.
Het is een spektakel waar ik geen genoeg van kan krijgen en de camera klikt ijverig.
Het centrum wordt “District 1″ genoemd , hier vind je hotels, winkels, bars en restaurants. De Franse koloniale invloed merk je hier in gebouwen, als het concertgebouw, het Hôtel de Ville (nu: Hal van het Volkscomité) en beroemde hotels als het Rex en het Continental.
De Notre Dame-kathedraal werd aan het eind van de 19de eeuw gebouwd. Op het plein voor de kerk staat een standbeeld van de Maagd Maria en tegenover de kathedraal staat het prestigieuze postkantoor dat door Eiffel werd ontworpen.
De kerk stelt niet veel voor, maar wel leuk is dat we samen met de fotograaf van dienst een paar leuke plaatjes van een bruidspaar kunnen nemen.
We gaan ook even kijken naar het vroegere regeringsgebouw van Zuid Vietnam, waar de tanks van de Noord Vietnamezen de oorlog beslechtten.
We krijgen even tijd om door een kolossale overdekte markt te lopen en stellen vast dat we meer eetwaren niet dan wel herkennen.
Wat er ooit als rund of vis heeft uitgezien, kan na culinaire bewerking in de Vietnamese keuken wel een héél ander uitzicht krijgen.
Verkoopsters trekken je aan de mouw of nemen je bij de arm.
Relaxed koopjes doen is er hier niet bij.
Onze gids slaagt er zelfs nog in om ons ook nog even ook bij donker de sfeer van down town Saigon met zijn chique winkels te doen opsnuiven.
De etalages zijn mooi versierd met kerstdecoratie.
Het stoort de Vietnamezen niet dat kerstmis uit een andere religie stamt.
Ze gaan er gewoon voor.
En dan schepen we in.
In de haven wacht ons de prachtige RV Indochine, een schip, dat volledig in hout werd afgewerkt, met 24 sfeervolle ruime kajuiten, alle met twee grote ramen, de bedden zijn vrij hoog, je hoeft niet eens op te staan om naar buiten te kijken. Ook de douche is volledig in hout, heel mooi.
We nemen nog een paar fotootjes van de lichtjes van downtown Saigon terwijl de boot de haven uitvaart en springen dan onze bezwete kleren uit en de douche in.
Er volgt een heel lekker diner en nog een koffietje op het panaromadek en dan is het tijd voor bed, de boot laat zijn anker en morgen moeten we vroeg op.
Om half zes wordt het anker alweer gelicht en via een druk bevaren kanaal gaan we van de Saigon rivier naar de Mekong.
Het schouwspel op het water is echt de moeite waard, vooral gezien van op de voorsteven, zittend in een comfortabele zetel.
Veel boten zijn onderweg met uitgebaggerd zand dat in de bouwsector zijn bestemming moet vinden.
Het zijn net drijvende eilandjes. De hopen zand worden zodanig op de boten geladen dan het dek soms zelfs onder water staat.
Op alle rivierboten staan kwaaie ogen geschilderd, met als doel de monsters en de krokodillen op afstand te houden.
Alleen op vissersboten staan geen ogen, want men wil toch de vis niet afschrikken!
De Mekong wordt beschouwd als één van de belangrijke rivieren in Azië.
Hij loopt door Zuidoost-Azië en is 4220 kilometer lang.
De rivier ontspringt in de hooglanden van Tibet en loopt achtereenvolgens door de landen China, Myanmar, Laos, Thailand, Cambodja en Vietnam.
De Vietnamezen noemen hem ”De Rivier van de negen draken”.
De draken staan voor de negen armen van de beroemde delta, de rijstschuur van het land.
Doordat het land zo laag ligt dringt de opkomende vloed twee maal daags tot 300 km landinwaarts
De stad Mytho, onze volgende bestemming ligt 70 km ten zuidwesten van Ho Chi Minh. Het is één van de grotere marktplaatsen in de Mekong-delta.
Men verbouwt in de delta rijst, kokos, bananen, mango’s, longans (een soort van kleine lychee, met een grote pit) en citrusvruchten en er wordt uiteraard aan visvangst gedaan. Intussen hebben we op onze boot al twee keer één van die riviervisjes verorberd.
We varen met een kleinere boot naar een eiland, waar we de vruchtentuinen bezoeken, we proeven een paar exotische fruitsoorten, sommige zijn mij, ondanks al heel wat andere exotische reizen volledig onbekend, en we krijgen een honingdrankje in een bijenkwekerij. Tenslotte maken we ook nog een tocht op een amazone-achtig riviertje met nóg kleinere wankel-bootjes.
Maar de ongerepte-natuur-illusie wordt wel een beetje teniet gedaan doordat het mooie watertje volledig vol zit met toeristenbootjes, en als ik vol zeg, dan moet je dat echt letterlijk nemen, achtersteven tegen voorsteven als een stel afgerichte circusolifanten. De bestuurders zetten handen en voeten in om zich tussen de anderen door een weg te duwen.
Tijdens het honing proeven heb ik mezelf overtroffen door als eerste een boa constrictor om mijn hals te laten draperen. Niet dat ik ooit echt panisch was wat slangen betreft, maar het is best wel een indrukwekkend beest en de idee een wurgslang om je nek te hebben hangen is echt niet iets waar je in 1,2,3 aan went.
Maar voor het eerst in mijn leven proefde ik nu toch eens de ervaring het klikken te horen van een schare camera’s die allemaal op mij waren gericht. Eat your heart out Madonna.
En tijdens het fruit-proeven werden we vergast op een optreden van een aantal kinderen en pubers, die eerst een paar Vietnamese liedjes zongen, en vervolgens een wel zeer originele versie ten beste gaven van een scoutsliedje (if you’re happy and you know it, clap your hands) en tot onze grote hilariteit ook van jinggle bells. Origineel, vanwege het feit dat de kinderen het volledig fonetisch zongen, niet gehinderd door enige kennis van de taal en vrijwel zonder medeklinkers (maar dat is eigenlijk ook nog steeds zo is bij Vietnamezen die wél de taal hebben gestudeerd ) en natuurlijk ook vanwege het feit dat het moeilijk is aan sneeuw te denken bij een hele vochtige en dus extra belastende plus 30°C.
Bij het fruit wordt trouwens ook zout aangeboden of pikante kruiden.
Zout is lekker bij een zuur smakend fruit vindt onze gids. En fruit met een niet al te uitgesproken smaak heeft iets méér nodig. Les gouts et les couleurs ne se discutent pas.
We bezochten ook De Vinh Trang Pagode uit 1848, het is de oudste Boeddhistische pagode in Mytho.
Heel mooi met twee grote Boeddha’s in de sfeervolle tuin.
Ik weet wel al één en ander van het Boeddhisme, maar wat onderscheidt nu weer de stroming die het grote wiel wordt genoemd van degene, die het kleine wiel wordt genoemd?
Onze gids legt het uit voor dummies (en zo heb ik het graag). Het niet zo strikte grote wiel, dat minder eisen stelt aan zijn gelovigen neemt automatisch méér volgelingen met zijn spaken mee.
Ik vind deze tempel anders dan degene die ik al in Thailand en Sri Lanka heb gezien, ergens doet hij me meer aan een Hindoetempel denken.
Het feit dat er een Boeddhabeeld staat met een arm of zes dat daardoor toch wel heel erg lijkt op de Hindoe-God Shiva zal daar allicht wel iets mee te maken hebben.
En er is nog iets dat ik nog nergens anders heb gezien in Boeddhistische tempels en waar ik het best wel moeilijk mee heb.
In een beklemmende plastic zak, met maar een beetje water, liggen vissen bij het altaar, ze zijn ten dode opgeschreven, tenzij jij ze bij wijze van offer vrijkoopt.
Ik doe er principieel niet aan mee, maar loop toch even met een schuldgevoel.
Maar cultuurshocks zijn er altijd wel, als je méér dan een paar stappen je voordeur uitloopt. Zo was er bij het bezoek van de bijenkwekerij niet alleen een theetje met honing of een likeur met bananen, maar ook een soort eau de vie met slangen en schorpioenen die in de vloeistof liggen te ontbinden.
Kneed daar je Westerse hersentjes maar eens omheen.
Drijvende markten leveren prachtige foto’s op.
En nu zijn we naar eentje onderweg, naar die van Sa Dec.
Natuurlijk zijn we uren en uren te laat, want de mooiste plaatjes schiet je om zes uur ’s ochtends en niet in de namiddag.
Maar er is toch nog steeds een beetje handel aan de gang. Groothandelaren bieden hun waar aan met als enige advertentie de koopwaar zelf, waarvan één exemplaar hoog op een bamboestok wordt gespiest.
Ze betalen een vast anker-recht en liggen er vaak een drietal dagen te wachten tot hun waar verkocht is en dus wordt het fruit en de groenten nog niet helemaal rijp aangevoerd.
We bezoeken verder ook nog een paar ambachtelijke bedrijven.
Het eerste is een fabriekje waar gepofte rijst wordt gemaakt.
Stel je iets voor als popcorn, maar dan met rijst. Er worden suiker en kruiden aan toegevoegd en het wordt in kleine pakketjes als snoep verkocht.
Het moge duidelijk zijn dat het adagio ” time is money” hier niet geldt.
Het vuur wordt opgestookt en de rijst gepoft in donker zand, dat wordt gezeefd.
De additieven worden toegevoegd, de rijst wordt in grote bakken platgedrukt, er worden kleine pakketjes van gesneden die dan ook nog eens individueel in een plastiekje worden ingepakt.
Heel veel handen verzetten heel veel werk voor iets dat eigenlijk een simpel snoeppakketje wordt.
We krijgen ook uitgelegd hoe je een typische kegelvormige Vietnamese hoed maakt en ik koop er eentje voor één dollar. Hij is licht en praktisch, met een lintje onder de kin hou je hem op je hoofd.
Dan gaan we naar een baksteenfabriek dat nu zijn arsenaal heeft uitgebreid met potten voor de Europese markt.
De ovens worden allemaal ambachtelijk opgestookt. Heel ongezond voor de mensen die er werken en als je de zwarte rood bekijkt die uit de bakstenen schouwen kringelt, vast ook niet milieuvriendelijk.
Als brandstof werden in het eerste fabriekjes de vliesjes die rond rijstkorrels zitten gebruikt en hier is dat ook zo.
Dat lijkt me dan tenminste vanuit het standpunt van recyclage wel milieuvriendelijk, beter dan een fossiele brandstof toch?
De bediening op onze boot is gewoon geweldig, vriendelijk, hulpvaardig… en de meisjes die ’s avonds opdienen, zo superlief, dat het naar mijn gevoel niet mogelijk is om hun glimlach niet te beantwoorden en toch leverde me dat daarnet een compliment op van één van hen.
Ze kwam speciaal eventjes naar mijn tafel om te zeggen dat ik toch zo’n lieve lach had.
Zelfs als ik een rotdag zou hebben gehad, zou dat me nog helemaal hebben opgefleurd.
Morgen maandag 6 december, gaan we naar de markt in Sa Dec.
Ontbijt tussen zes en zeven. Uitslapen is er opnieuw niet bij.
Met kleine bootjes worden we opgehaald en gaan eerst het huis bekijken waar de Vietnamese minnaar van de schrijfster Marguerite Dumas woonde, ze vertelde haar verhaal in l’ amant. Misschien een tip voor mijn volgende trip naar de bib.
De markt van Sa Dec kan als cultuurschock ook wel tellen.
De groenten zien er aantrekkelijk uit, heel vers, heel proper.
Maar bij de vismarkt wordt het al iets moeilijker.
In ondiepe teilen liggen levende vissen wanhopig met hun kieuwen te flapperen.
Soms ligt de vis ook nog eens op ijs en gaat het flapperen al wat trager.
Vers, dat wel, en zou ik er van durven eten? Ja ik denk het wel.
En dan kijk ik eens wat grondiger en zie tussen de vissen ook aaneengeknoopte levende kikkers liggen en gevilde ratten.
Ik probeer nog even in ontkenning te gaan, maar het lukt niet, ook al niet omdat onze gids zo veel mogelijk de aandacht vestigt op dingen waarvan hij weet dat wij het vreselijk zullen vinden.
Het orgelstuk moet echter nog komen, we bezoeken daarna de vleesmarkt.
Op hoge togen liggen klompen vlees uitgestald, stukken romp of poten en soms zelfs hele koppen, de beenhouwers zitten er gewoon tussenin, bovenop de togen. Met hun blote voeten tussen het vlees hakken ze de grote hompen in iets kleinere hompen.
Het bloed druipt van de wanden.
Onze wandeling loopt er uiteraard volledig doorheen.
Het gedroogde vlees en de gedroogde vis zijn dan weer een serieuze beproeving voor ons reukorgaan.
Ik vind het helemaal niet erg als we eindelijk aan het volgende item van onze agenda beginnen.
De Chinese Taoïstische tempel is echt wel de moeite waard en even rond kuieren in een niet toeristische stad is ook altijd interessant.
In Saigon zag ik veel mensen met sjaaltjes voor het gezicht gebonden of met stofmaskers en ik nam aan dat dit tegen de pollutie was, maar ook hier in een kleine stad en op het platteland bedekken mensen hun gezicht.
Er blijkt ook ijdelheid mee gemoeid te zijn: ze willen niet bruin worden.
Op motorfietsen zie je meisjes met handschoenen in vleeskleur die tot aan hun schouders komen.
Even is mijn echtgenoot zoek, toen we de Taoïstische tempel binnengingen was hij blijkbaar het straatbeeld blijven filmen.
Niets bijzonders of onverwachts, mijn echtgenoot is namelijk een virtuoos in het zoek raken, maar elke keer toch weer maakt het je ongerust.
Maar wat blijkt: HIJ was het niet die zoek was geraakt, het waren WIJ.
De hele rest van de groep was weggelopen en had hem daar laten staan.
We krijgen een Italiaans getinte lunch die minder geslaagd is dan het Aziatische diner van gisteravond, maar dat is uiteraard niet echt een verrassing in Vietnam.
En dan ga ik voor de eerste keer op deze cruise niets doen.
Wanneer we niet op excursie waren ben ik telkens in de weer geweest met mijn reisverhaal en als dat bijgewerkt was met versjes schrijven voor onze kersverse kleindochter. Uiteraard in een zetel op het dek en zonder mijn aandacht voor het landschap te verliezen, maar nu ga ik eens alleen maar gewoon zitten kijken en misschien een paar fotootjes nemen.
Maar het is bloedheet, zelfs in de schaduw en in de wind die de boot veroorzaakt. Mijn ogen dreigen dicht te vallen en dus ga ik nog maar een beetje aan mijn reisverhaal werken.
Om drie uur gaat alweer de gong, dit keer kondigt hij de inscheping aan voor onze laatste excursie in Vietnam.
We meren aan in Chau Doc, een rustige kleine stad die over een aantal toeristische troeven beschikt.
We stappen over in kleine bootjes en varen naar de drijvende stad, waar de bevolking zich bezig houdt met het kweken van vis.
De paalwoningen bieden een spectaculair, heel fotogeniek aanzicht.
Het is zalig om er met ons bootje in rond te toeren, terwijl schattige kindertjes samen met hun ouders naar ons wuiven.
De viskweek is niet echt iets waar je je ogen op uitkijkt.
In de rivier hangen bakken waarin vissen vet hangen te worden. De bakken zitten zo vol dat wanneer je er een handvol visvoer ingooit het gewoel je onmiddellijk doet denken aan een school piranha’s die in enkele seconden een drenkeling afklooft.
Door het gewriemel in de bakken spat het water hoog en ver en de toeristen springen gillend en giechelend achteruit.
Ik spring ook achteruit, omdat ik nu eenmaal liever niet nat word, maar vind het een triestig einde voor deze vissen. Ik vermoed dat ze liever glorieus de Mekong zouden hebben doorkliefd en dan met haak of net ineens naar de vissenhemel gehesen, dan dat ze hier opeengepakt, zonder nog enige zwemruimte worden vetgemest.
Hierna rijden we met kleine busjes naar de enige heuvel die deze streek rijk is en kijken neer op rijstvelden die in deze periode van het jaar blank staan.
De avond valt, de zon geeft nog een hint van kleur aan de lucht en de dijken tussen de verschillende percelen vormen een mooi lineair schouwspel.
In de verte ligt Cambodja, daar gaan we morgen heen.
Maar eerst bezoeken we nog een Boeddhistische tempel en een Taoïstische.
De Taoïstische heeft een grappig verhaal. Het beeld waar de cultus omheen is geweven werd gevonden in de heuvels en wordt vereerd als een soort van Godin, maar eigenlijk zou het om een beeltenis van Shiva gaan, een Hindoegod die weliswaar vaak met vrouwelijke trekjes wordt afgebeeld, maar onmiskenbaar van het mannelijke geslacht is.
Maar het beeld staat ingepakt in lange gewaden in zijn heilige nis en voor de gelovigen is het een vrouw punt uit.
De gelovigen stellen zich trouwens heel erg beschermend op tegenover het beeld.
Je mag het absoluut niet fotograferen en er staat een legertje bewakers rond om te controleren dat je dit verbod respecteert.
Toen wij er waren bood iemand een pakketje aan als offer bij het altaar.
Het waren papieren kleren, die even later ritueel werden verbrand.
De gift was de symbolische vertolking van de echte gift. De milde schenker zal de nodige fondsen ter beschikking stellen voor een nieuwe outfit voor de heilige “dame”.
De Boeddhistische tempel was spectaculair en kleurig en bevreemdend en duidelijk beïnvloed door de kunst uit India.
Bij valavond worden beide tempels ineens sprookjesachtig verlicht en omgetoverd tot taferelen van duizend-en-een nacht.
We zijn net op de boot wanneer een tropisch onweer losbarst.
Het water valt met bakken uit de lucht, de baai licht op en het is met een flits zo licht als midden op de dag.
We zitten boven in de bar onze happy hour cocktail te drinken en krijgen de briefing voor morgen.
Wanneer we daarna door de gietende regen naar het restaurant één verdieping lager moeten wordt er een slang van paraplu’s gevormd.
Het personeel wordt nat terwijl het ons droog probeert te houden.
Je voelt je als de president van de US die door zijn bodyguards veilig naar airforce one, het presidentiële vliegtuig wordt geloodst.
Het regent nog een paar uur heel hard, maar dan valt alles stil en we maken nog even een wandeling in Chau Doc.
Het is er doods en donker, we wandelen langs lege marktstalletjes en volgen het enige geluid dat we horen.
In een bar speelt een orkestje, dat probeert het gemis aan talent ruimschoots goed te maken door het volume.
Best wel grappig om te zien en te horen toch, dus dit is moderne muziek in de Mekongdelta. Maar dit volume kunnen mijn oren niet aan en ik durf natuurlijk niet de vingers in de oren steken.
Vandaag een ganse dag op zee.
We zijn deze morgen weer vroeg vertrokken en liggen nu dinsdag 7 december 2010, voor anker in de niemandszone tussen Vietnam en Cambodja.
Ik heb deze morgen voor het laatst “Goodmorning Vietnam!!!” kunnen schreeuwen.
De douaneformaliteiten duren op zijn best toch wel enkele uren, een klein geschenkje links of rechts bespoedigt de zaak.
Vanessa, onze cruise director zegt, als je de douaniers aan boord ziet komen: wave and smile!
Het gaat vlotter dan verwacht, en ze vermaakt ons intussen door ons inheemse groente en fruit te laten bekijken en proeven.
Wanneer ze merkt dat onze boot zich in beweging zet, is ze duidelijk opgelucht.
Ze is er nooit echt gerust in, in de Cambodjaanse bureaucratie. We denken er het woord corruptie bij, maar durven het niet hardop uitspreken.
Het meest exotische fruit dat we vandaag proeven is de doerian. Een ovale, stekelige vrucht zo groot als twee pompelmoezen. Ze smaakt als de hemel en ruikt als de hel, zegt men.
De geur viel al bij al nog mee. Laten we zeggen een assortiment Franse kazen dat al eventjes in de zon ligt te smelten. Maar het was er maar ééntje en hij was nog niet overrijp.
Met zo’n doerian mag je trouwens niet binnen in hotels en openbare plaatsen.
En bewaren nadat je hem heb opengesneden kun je al helemaal niet.
Cambodja is ongeveer zes keer zo groot als België en heeft 13,8 miljoen inwoners.
Vanaf 4000 v.C. leefden in Cambodja neolithische volkeren, vermoedelijk in paalwoningen en voornamelijk van de visvangst en dus waarschijnlijk net zoals de huidige plattelandsbewoners.
Vanaf de 1e eeuw kwamen er steeds meer Indiase invloeden door toenemende handel en tegen het einde van de 3e eeuw gebruikte men een alfabet in Sanskrietstijl.
Ook de kunst en religie werd sterk beïnvloed door India.
Het Hindoeïsme heeft zelfs 1000 jaar stand gehouden naast het Boeddhisme.
Het Angkor tijdperk begon toen een jonge Javaanse prins, die beweerde van Cambodjaanse afkomst te zijn, zijn rijk stichtte in 790 en zijn hoofdstad bouwde.
Het begin van het einde van dit glorieuze rijk kwam in 1219 met de dood van Jayavarman VII, een hele knappe koning wiens beeltenis je overal in het land ziet. Hij liet prachtige dingen bouwen, maar putte hierdoor wel het land uit. De neergang verliep geleidelijk en langzaam.
En uiteindelijk dreigde het land opgeslokt te worden door Thailand en Vietnam.
Toen de Fransen hun “Indochine-droom” probeerden te verwerkelijken, probeerde Koning Norodom daar zijn voordeel mee te doen en sloot met hen een verdrag in 1863.
Tijdens de tweede wereldoorlog vielen net als in Vietnam, ook hier de Japanners binnen, maar in 1945 kwamen de Fransen terug en pas acht jaar later werd Cambodja onafhankelijk onder prins Sihanouk.
In de Vietnam-oorlog was Sihanouk in principe neutraal al ging zijn sympathie duidelijk uit naar het communistische noorden.
Hij werd afgezet door de pro-Amerikaanse generaal Lon Nol die zijn land mee de oorlog in slingerde.
En het werd nog erger voor de Cambodjanen, want de Rode Khmer weigerde de staakt-het-vuren-overeenkomst van Parijs in 1973 te accepteren en namen de macht over.
Pol Pot stichtte onder invloed van de Culturele revolutie van Mao een totalitaire staat, waarin intellect, religie en kunst werden uitgebannen.
De intellectuele middenklasse was opeens vogelvrij. Het ging zo ver dat wie een bril droeg al als een verdacht persoon werd aanzien.
Tijdens het bewind van de Rode Khmer werd een massaal deel van de bevolking uitgemoord.
De exacte cijfers zijn onbekend, maar liggen tussen de één en drie miljoen mensen in 4 jaar tijd. En het zouden er nog méér zijn geweest indien Vietnam niet had ingegrepen. Maar het land was nu natuurlijk wel bezet door een vreemde mogendheid.
De legering van soldaten in Cambodja kostte Vietnam echter veel geld en dat was geen probleem zolang het economische en financiële hulp kreeg van de Sovjet-Unie. Maar toen Mikhail Gorbatsjov daar aan de macht kwam, werd de geldkraan dichtgedraaid. Vietnam kon zich het avontuur in het buurland niet langer veroorloven. In 1989, tien jaar na de invasie, trokken de laatste Vietnamese troepen zich terug uit Cambodja.
Heden ten dage lijkt er hier een nieuwe wind te waaien.
Het land noemt zich niet meer communistisch, maar een democratisch koninkrijk en er zijn vrije verkiezingen. Het land is nu ook opnieuw trots op zijn cultureel erfgoed.
De huidige koning was ooit ambassadeur bij de Unesco, hij was ook balletdanser en is nu meer dan 50 en nog steeds ongehuwd…. Ik stel hier later een open vraag over aan onze Cambodjaanse gids.
Is het waar dat de koning balletdanser was?
Ik weet wat je denkt, zegt ze, maar hij is gewoon heel religieus.
De nieuwe koning is trouwens niet erg populair. Meestal hangt zijn foto naast die van zijn vader, die wél heel populair was en is. Hij wordt een beetje meegezogen in diens kielzog.
Het landschap verandert.
Ik zie geen visfuiken meer of visboerderijen, maar wel landbouw.
De dorpjes lijken enigszins anders, al kan ik daar nog niet direct de vinger opleggen.
Wat wel onmiddellijk opvalt is dat er hier overal pagodes tussen het groen uitpieken, in elk klein dorpje staat er wel eentje.
En hier zwaaien echt alle kinderen naar ons, zelfs de volwassenen wuiven enthousiast. Ik heb de indruk dat de mensen hier nóg vriendelijker zijn.
Ik heb mijn eerste woordjes Cambodjaans geleerd en dat viel al direct in goeie aarde.
Er is niet de minste aansluiting met een taal die ik wél ken en dus is zelfs het memoriseren van” hallo”, “goeiemorgen”,”ja”, “neen”, “dank u” en “tot ziens” al een behoorlijke opgave. Voor wie het echt wil weten, neergeschreven in mijn eigen gepatenteerd fonetisch taaltje “sua sadai”, “chum riap suh”, “ja” (voor een vrouw, een man hoort “baat” te zeggen) (tenminste één meevallertje voor mij!!!) “thee”, “arrkoen”, “lieahaai”.
Misschien dat ik me ook nog wel aan ” hoe gaat het” waag en “goed dankjewel”. We zien wel.
Cambodjaans is een toontaal, wat betekent dat eenzelfde woord op een andere toon uitgesproken iets anders kan betekenen. En ook wie spreekt is belangrijk of tegen wie die persoon spreekt.
Als een jong persoon tegen een ouder iemand spreekt kan die niet zomaar de naam zeggen, daar hoort een achtervoegsel bij, om het verschil in leeftijd en het daarmee samengaande respect aan te duiden.
Het vorderen in leeftijd levert je heel veel respect op in Cambodja.
Zo is er ook de beleefde groet met twee tegen elkaar gedrukte handpalmen. De hoogte van de handen, bepaalt de hiërarchie.
Voor de borst kan alleen tussen vrienden en nooit van een jongere naar een oudere toe. Groet je iemand ouder, gaan de handen hoger en wanneer de handen voor het voorhoofd worden gehouden en met de duimen het gezicht wordt aangeraakt, dan groet men Boeddha.
We verlaten de Mekong rivier en glijden de Tonle Sap op.
Deze Tonle Sap heeft een wel zeer bijzondere eigenschap, twee keer per jaar de stroom namelijk omgekeerd.
Van november tot juni stroomt het water van de bron naar de monding, maar begin juni wordt de druk die de door overvloedige regens overvolle Mekong uitoefent, zo groot, dat het water stroomopwaarts wordt gestuwd en terecht komt in het Tonle Sap meer.
Ter gelegenheid van de jaarlijkse stroomomkeer wordt in november het Grote Waterfestival gehouden.
We varen de haven van Phnom Penh binnen bij valavond, na het diner staat er een rit met de tuktuk op het programma, als eerste kennismaking.
De hoofdstad van Cambodja heeft 1,3 miljoen inwoners en is een fraai voorbeeld van Franse stedenbouw. De stad heeft een regelmatig stratenpatroon, doorsneden door brede boulevards. Mooie voorbeelden van gebouwen in koloniale stijl zijn het hoofdpostkantoor, de Nationale Bibliotheek en hotel Le Royal.
De stad is mooi verlicht en het is heel romantisch wanneer we er met de tuktuk doorheen rijden.
De Cambodjaanse versie van dit vervoermiddel is trouwens een brommer met een wagentje, waar vier personen in kunnen, er achteraan.
Maar het was zelfs nog romantischer om langs de kade terug te slenteren.
De tuktuks stopten bij het Koninklijk paleis en degenen die nog voldoende energie hadden, kozen er voor om te voet terug te keren naar de boot.
De stad oogt sereen en gezellig. Er is wel heel veel politie op straat en overal bewakingspersoneel, maar we voelen ons hierdoor eerder beschermd, dan onveilig.
We duiken vlug, niet helemaal gerust, nog een tempelcomplex binnen, we weten immers niet wanneer de poort dichtgaat.
Een monnik verontschuldigt zich beleefd en zegt dat we gerust in het complex mogen rondlopen, maar dat de tempel helaas gesloten is.
Hij is ongelooflijk vriendelijk en we moeten onze donatie van 2 dollar werkelijk aan hem opdringen.
We beloven onszelf om morgen of overmorgen nog eens terug te komen om de Wat (tempel) te bewonderen bij daglicht.
Donderdag 8 december 2010, alweer krakend vroeg het bed uit.
We gaan met de bus naar het Koninklijk Paleis, maar dat is maar 20 minuten stappen en dus gaan we te voet, dezelfde weg als gisteravond, maar nu in omgekeerde richting. Het is nog geen 8 uur in de morgen en dus nog aangenaam van temperatuur.
Het Koninklijk paleis, is niet zoals bij ons één gebouw, maar een groep van verschillende gebouwen.
In één ervan woont nog steeds de huidige koning, al is het intussen eigendom geworden van de Cambodjaanse staat.
Dat Cambodja zijn buurland Vietnam niet echt een warm hart toedraagt blijkt uit het feit dat een dame uit onze groep haar Vietnamese kegelhoed niet mocht ophouden binnen de muren van het paleiscomplex. Ze moest hem bij de ingang achterlaten, maar kreeg hem aan het einde wel terug.
Ik begrijp het niet helemaal, Vietnam viel weliswaar Cambodja binnen in 1978, maar door deze inval werd wél de Rode Khmer verdreven en werden er veel levens gespaard.
De reisgidsen hebben het vooral over de Zilveren Pagode. Deze wordt zo genoemd omdat de vloer bestaat uit ruim 5000 tegels van zilver. Daarnaast staan er vele Boeddhabeelden, waaronder een beeld van massief goud ingelegd met meer dan 2000 edelstenen.
De Troonhal is het volgende pièce de résistance. Het is een reproductie van het oorspronkelijke houten paleis. Deze hal werd niet zo lang geleden nog gebruikt voor de kroning van de koning (2004), die bij deze gelegenheid majestatisch op zijn gouden troon zat.
In geen van beide gebouwen mag je echter foto’s nemen.
Maar hoe dan ook maakt het samenspel van de verschillende paviljoens, de mooie kleuren, de sierlijke vormen en de sereniteit van de tuinen de meeste indruk.
Heel mooi is ook een meters lange wandschildering van de Ramayana, een heel bekend verhaal uit de Hindoe Godsdienst.
Cambodjanen gebruiken, alhoewel ze Boeddhist zijn nog veel symboliek uit het Hindoeïsme.
Naast het paleis ligt een gebouw van rode zandsteen, het hele mooie Nationaal museum. Er bevindt zich een zeer interessante kunstcollectie met onder meer beelden uit Angkor, maar ook hier weer is het de sfeer die je het meeste raakt. In de binnentuin, kun je uren zitten. Het heeft de vredigheid van een kloostertuin.
Aan de muren, als heel geslaagde aanvulling bij de beelden hangen er prachtige, mysterieuze zwart-wit foto’s van de temples van Angkor.
Hierna worden we de obligate juwelenwinkel binnengeloodst, maar ik weersta!
En we gaan eten in een Khmer restaurant, waar alles om te lekkerder is.
Allemaal kleine hapjes…Allemaal traditionele gerechten en dus ook het super lekkere “amok”, een in een curry gestoomd gerecht (deze keer vis), traditioneel in een bakje van bananenblad, maar wij kregen het op een ronde schotel waarop allemaal kleine ronde dekseltjes stonden, onder elk dekseltje één hapje amok.
(Ik zou echt eens willen weten of onze uitdrukking “amok maken” daar iets mee te maken heeft, maar het internet helpt me niet verder)
Naast de vele heerlijke gerechten, zijn er echter ook een paar traditionele lievelingshapjes die we tot mijn grote opluchting NIET geserveerd kregen. Ik zat niet echt te wachten op een gefrituurde tarantula, die je lekker van eens stokje kunt afhappen, sprinkhanen en andere insecten hoeven voor mij ook niet perse.
En dan gaat de groep naar een oorlogsmuseum en naar de killing fields.
Maar ik pas, ik vind het vreselijk wat deze mensen in een heel recent verleden hebben moeten meemaken door toedoen van de Rode Khmer, maar ik kan niemand meer redden door er heen te gaan, en ik weet dat ik er kapot van zou zijn.
Dus wandel ik heel cool en relaxed het restaurant uit. Neem de eerste tuktuk die ik tegen kom en spreek af dat hij me voor 2 dollar naar het koopcentrum brengt.
Heel makkelijk.
Ik laat mezelf verdwalen tussen de kraampjes die zich kriskras in en rond het eigenaardige gebouw slingeren (het is een Cambodjaans koopcentrum hé, geen winkelgalerij!)
Ik sta mezelf niet toe om het complex zonder buit te verlaten en scoor een zijden bloesje, een makkelijke flodderbroek en een beeldig exotisch bloesje met broek voor onze kleindochter, zwaar op de groei gekocht.
En dan neem ik me voor om te voet mijn weg naar de RV Indochine terug te vinden.
Ik heb immers een kaart.
Ik zou het me ook makkelijk kunnen maken, want de tuktuks zijn werkelijk alomtegenwoordig, maar ik ga de uitdaging aan.
Het blijkt niet evident te zijn. Ik heb dan wel een kaart, maar de meeste straten hebben geen namen, maar nummers en ik zie nergens nummers op de straathoeken.
Ik loop lukraak even in een bepaalde richting, maar besluit het dan toch maar te vragen.
River, boat? Ze willen me wel helpen, maar ze verstaan me niet.
Tonle Sap? Vraag ik na een Goddelijke ingeving.
Ik blijk de naam van hun rivier begrijpelijk te hebben uitgesproken, want ze wijzen een bepaalde richting aan en die blijf ik volgen, terwijl ik zo nu en dan bevestiging vraag.
Ik heb nu immers het magische woord gevonden.
De voetpaden in Phnom Penh zijn een hoofdstuk apart.
Ze zijn er, maar ze hadden er net zo goed niet kunnen zijn, want je kunt er toch niet op lopen.
Ofwel staan er brommers op, ofwel auto’s, of stalletjes.
Sommige eigenaars proberen op creatieve wijze barricades op te werpen om hùn
voetpad af te bakenen zodat je er zowieso bijna niet doorheen kunt.
Maar ik ben er geraakt en nu zit ik dus in een koele lounge mijn reisverhaal bij te werken en wacht op de verhalen van mijn echtgenoot.
Die verhalen bevestigen uiteraard de gruwelen, waarover de niet meer zo piepjongen onder ons nog rechtstreeks via de media hebben gehoord. Vreselijke slachtpartijen, zelfs het leven van een kind had geen enkele waarde.
Hoe kan de ene mens de andere zoiets aandoen? De ene Cambodjaan de andere!
Het Pol Pot regime is een van de zwartste vlekken in de menselijke geschiedenis.
Donderdag 9 december 2010, deze morgen gaan we naar de Wat Phnom waar het voor Phnom Penh allemaal is begonnen.
Het verhaal gaat dat een rijke weduwe, genaamd Penh, in 1372 vijf Boeddhabeeldjes vond die waren verstopt in een holle boomstam die op de Tonle Sap rivier dreef. Vlak bij haar huis lag een heuveltje waar ze een heiligdom voor de beeldjes maakte. De heuvel werd Phnom Penh (de berg van Penh) genoemd. Later werd de heuvel verhoogd en werd er een grotere tempel gebouwd. Deze tempel, Wat Phnom, wordt druk bezocht op feestdagen. De Cambodjanen komen er vooral om te bidden voor geluk en voorspoed. Mensen stoppen waar ze maar kunnen geld bij de talrijke Boeddhabeelden.
Een beetje oneerbiedig zou je het kunnen vergelijken met klanten die bij striptease geld tussen de (schaarse) kledij van de danseressen stoppen.
Er zit een toekomstvoorspeller die zijn wijsheid haalt uit een boek met houten tabletjes.
Zijn klanten houden het even in de handen en boven hun hoofden en slaan het dan lukraak op een pagina open.
De wijze man voorspelt hen vervolgens een, ik versta er wel geen woord van, maar ik vermoed gunstige levenswending.
Voor de tempel staan mensen met vogelkooitjes, net zoals bij de vissen in Vietnam is het de bedoeling dat je hun leven redt. Ze willen er eentje in je hand stoppen dat je tegen betaling dan mag vrijlaten.
Vermoedelijk weten ze het enkele dagen later wel al weer terug te vangen.
Voor de tempel staat ook de enige olifant die Phnom Penh rijk is. De goedmoedige oude reus, hij is intussen toch al 60, wacht op klanten die een ritje op zijn rug willen maken.
Hij draagt schoenen aan zijn voorpoten, men draagt blijkbaar toch zorg voor het beest.
Vervolgens gaan we nog maar eens op koopjesjacht. We worden naar de Russische markt gebracht, waar overigens niets Russische aan is, de naam verwijst naar het feit dat daar ooit Russische soldaten ingekwartierd waren.
Overal waar we komen zijn we de eerste klant en die brengt geluk en verdient dus een extra discount. Dat heeft men mij merkwaardig genoeg gisteren nergens proberen wijsmaken, maar het was toen al na de middag en dus misschien zelfs voor de verkopers een beetje te hard bij het haar getrokken.
Ik vind twee kleine opiumpijpjes, die er oud uitzien, en die het misschien ook wel zijn, in elk geval zijn het allemaal unieke stukken. Sommige zijn gelijkaardig, maar geen twee zijn echt gelijk.
We oefenen de kunst van het onderhandelen, het is ook hier een spel dat je moet meespelen, maar het is géén spel dat je kunt winnen.
Deze middag is er geen excursie gepland, we kunnen onze tijd zelf invullen.
Ik zal de kaart van de stad eens vlug bovenhalen. Maar eerst is er de gong die ons eens te meer uitnodigt voor een lekkere maaltijd.
We besluiten een tocht door de stad te maken langs de verschillende Wat’s of tempelcomplexen.
We starten met de Wat Ounalom, die vlak bij de rivierpromenade ligt en die we de eerste avond al ontdekten. Het is het hoofdkwartier van het Cambodjaanse Boeddhisme.
De grote paviljoens zijn nog steeds dicht, maar we worden uitgenodigd in een heel klein tempeltje binnen de oude muren.
Het complex dateert uit de 15e eeuw, maar was het doelwit van de vernietigingsdrang van de Rode Khmer, die ook de opperpriester vermoordden.
De man die ons in het piepkleine tempeltje binnen lijdt heeft gezien zijn leeftijd die vreselijke tijd zeker beleefd. Het heeft zijn vriendelijke inborst echter niet kapot gekregen. Hij spreekt spreuken uit over ons en besprenkelt onze handpalmen met water, we moeten er ook ons gezicht mee natmaken.
We mogen foto’s nemen, zelfs van hem. We tonen hem het digitale beeldje en hij heeft er lol in.
We geven hem dan ook met plezier de donatie waarop hij hint.
Ik mag zelfs even zijn wonderflesje gebruiken. Ik stoot mijn hoofd omdat ik niet genoeg buk bij het lage deurtje (het is inderdaad een piepklein tempeltje) en hij staat er op dat ik wat op mijn hoofd doe. Het ruikt zoals wondermiddeltjes verondersteld worden te ruiken.
En dan proberen we met de kaart in de hand nog een paar tempels te vinden.
De gids heeft ons uitgelegd waar we de nummers van de straten kunnen vinden, maar de bordjes zijn op sommige plekken eerder uitzondering dan regel.
We hebben alles bijeen nog zo’n viertal Wat’s gelokaliseerd, maar het was niet duidelijk, wat Wat was, want nergens stonden er namen in onze letters.
Het begin en het einde van zo’n complex is trouwens ook niet duidelijk. Soms hangt er een school mee samen of een hele leefgemeenschap met alleenstaande huizen of appartementen en zie je hier en daar monniken in hun typische saffraankleurige gewaden naar buiten komen.
Iedere Boeddhistische man heeft de plicht om tenminste één periode in zijn leven monnik te worden. Hij leeft dan van de bedelstaf, mag niet werken en moet, als hij bijvoorbeeld landbouwer is, rekenen op hulp van derden om zijn land te bewerken.
Sommigen blijven jaren in het klooster, anderen slechts enkele maanden.
Wie zich aan deze plicht zou willen onttrekken vindt naar het schijnt nooit een vrouw die met hem wil trouwen.
Tijdens onze wandeling dachten we één keer dat we gewoon over een speelplaats aan het lopen waren, maar niemand hield ons tegen en de kinderen vonden het alleen maar leuk dat ze op de foto mochten.
En wat maakt het ook uit. Je kunt niet verdwalen als je niet echt een doel hebt. We zwierven gewoon door de stad en keken ons de ogen uit.
In één straat stonden allemaal stalletjes waar je drukwerk kon bestellen, met allemaal ongeveer dezelfde wenskaarten en dergelijke als voorbeeld.
In andere straten zijn er alleen motoronderdelen of speelgoed…
We kwamen nog bij een andere overdekte markt, nog groter dan de twee die ik al had bezocht, waar ze zo goed als alles verkochten.
Maar niemand maande ons tot kopen aan, er liep geen enkele toerist.
En overal was het ongelooflijk druk, brommers zoeven je net als in Saigon om de oren.
Wanneer de straat te vol is gebruiken ze gewoon het voetpad.
Het omgekeerde kan ook gebeuren, dat één rijstrook ineens tot parkeerstrook wordt gebombardeerd.
Auto’s staan op ronde punten soms triple geparkeerd (bij ons bestaat daar volgens mij geen woord voor, dus heb ik het maar uitgevonden). Drie naast mekaar dus en dan nog eentje op de stoep.
Tijdens het spitsuur gonst het als een bijenkorf.
Maar dat stoort eigenlijk niemand, wie zich niet op 2 wielen aan het voort bewegen is kan rustig aan de kant van de weg zitten eten of zelfs slapen.
We ondervonden vandaag meerdere keren dat de tip van onze Vietnamese gids ook hier echt werkt, wanneer je wilt oversteken gewoon de straat op gaan en traag vorderen.
Wachten tot er een rustig moment komt is als wachten op Godot.
Uiteindelijk brengt ons enthousiasme “kijk ginder is er nog een tempel” ons op een punt dat niet meer op ons kaartje bleek of leek te staan. En nérgens ook maar één straatnaam of nummer.
We staan op een rond punt waarop een dame met een krokodil staat, haar lange haar raakt de aarde, ze is een figuur uit de Boeddhistische mythologie: Niamg Hing.
Maar dit standbeeld staat dan weer niet op onze toeristische kaart.
Ook de tuktuks zijn ineens verdwenen.
Wanneer er toch eentje opduikt spreekt de chauffeur geen Engels en zal dus wel niet echt lid van het officiële tuktuk-syndicaat zijn.
Maar dankzij het abracadabra: “Tonle Sap“ weet hij dat we naar de rivier willen.
Er moet even onderhandeld worden over de prijs, want in mime laat hij ons weten dat dat best ver weg is.
En hij heeft gelijk, we leunen achterover en laten hem als een noeste werkbij zijn weg door de korf zoeken.
’s Avonds krijgen we op de boot een dansoptreden van een paar schattige kleine kinderen die een paar traditionele dansen laten zien. Heel hartelijk gingen ze erna van iedereen afscheid nemen. Superlief.
En na het diner gaan we nog maar eens de stad in, nog een laatste wandeling langs de romantische kade, want morgen varen we af.
Ik heb heel erg genoten van ons bezoek aan Phnom Penh, maar ben toch blij dat we afvaren, omdat ik het zo super vind met de boot op de rivier.
Vrijdag 10 december 2010, onze eerste excursie is Koh Chen, een dorpje dat zich volledig toelegt op de bewerking van koper en zilver.
Ze werken op bestelling voor de winkels uit de stad en verkopen sinds kort ook zelf aan toeristen.
Er staat een bestelling klaar, met zulke mooi bewerkte ei-vormige verzilverde koperen objecten dat ik er onmiddellijk eentje wil kopen, maar er is overredingskracht voor nodig. Ze loodsen ons naar hun winkeltje, want de dingen die ik zo mooi vind waren op bestelling gemaakt.
Maar uiteindelijk geven ze toch toe. Afdingen op de prijs zit er echter niet meer in, het is 30 dollar, te nemen of te laten. En we kunnen het dus niet laten.
Het stadje is echt heel arm, er is werk, er is geen honger, maar de levensomstandigheden zijn werkelijk heel rudimentair.
De huizen staan allemaal op palen omdat ze vrij dicht bij de rivier staan en het water tijdens het regenseizoen heel erg stijgt.
We mogen een houten paalhuis bezoeken, lopen op de gammele planken en zien het totale hebben en houden van deze mensen. Eén gammel bed, een hangmat…verder zijn er geen noemenswaardige meubels.
Wel hebben ze een huisaltaartje gemaakt. Godsdienst is heel belangrijk in het leven van de Boeddhisten.
Op de boot worden we eens te meer als koningen onthaald met natte verfrissingdoekjes en frisse ijsthee en we bedenken nog maar eens hoe gelukkig wij zijn dat we op zo’n goeie plek op deze aarde zijn geboren, dat we zoveel kansen hebben gekregen, waaronder ook nu weer deze: dit stuk van de wereld een beetje beter leren kennen.
Vlak na de lunch leggen we alweer aan voor een volgende excursie.
Het is nog steeds bloedheet.
Met ossenwagens worden we naar Kampong Tralach gebracht, een ongerept dorp met twee pagodes.
De rit gaat langs rijstvelden en overal rijzen uit het water de mooie lotusbloemen.
De bloemen worden heel vaak geofferd aan Boeddha, maar zijn ook utilitair.
Wanneer de plant is uitgebloeid rijpt de bloembodem tot een zaaddoos, waar een soort van nootjes inzitten, die zijn niet alleen eetbaar, maar ook lekker én een gewild exportartikel.
De geschiedenis van de tempelsite is oud, maar de gebouwen zijn dat niet. Dat is hier wel vaker zo. Heel veel van het cultureel erfgoed werd immers door de Rode Khmer vernietigd.
De muurschilderingen die nog overblijven zijn van heel mooie kwaliteit, maar zouden dringend moeten gerestaureerd worden, alleen zijn de mensen die de oude technieken beheersten bijna allemaal vermoord.
Onze gids die oud genoeg is om het zelf allemaal te hebben meegemaakt zegt er weinig over.
Maar wanneer de groep een beetje huiverig doet over het feit dat de mensen het water van de Mekong drinken zonder het eerst te koken zegt ze heel zachtjes: ten tijde van de Rode Khmer dronken we uit plasjes water dat zich verzameld had in de pootafdrukken van een dier.
Ik moet er zelf naar informeren voor ze vertelt dat ze op achtjarige leeftijd van haar moeder werd gescheiden en in een kamp gestopt.
Drie jaar later zag ze haar moeder pas terug. Ik kan niet beschrijven hoe ik me toen voelde, zegt ze. Ik kan het me enkel maar proberen voorstellen.
Ik vraag me stilletjes af of zij zich gerust voelt als ze ’s avonds gaat slapen. Ze heeft gestudeerd, ze heeft een goeie job, maar dat waren toentertijd al twee hele goeie redenen om vermoord te worden.
Wat zou zij denken? Kan het zich nog herhalen, dergelijke waanzin?
Dat ossenwagengedoe was uiteraard heel pittoresk en leuk, maar verre van comfortabel en we kiezen ervoor de weg terug al wandelend af te leggen, het was tenslotte maar 2 km en de zon is intussen al een beetje minder warm.
Dat geeft ons de kans om ook even stil te staan en rustig te genieten en een paar fotootjes te nemen.
Deze nacht leggen we aan te midden van de rijstvelden en ik bedenk dat er vanavond best wel eens wat meer insecten zouden kunnen zijn.
En het zijn er wat meer, héél wat meer. Gigantische zwermen troepen rond de lichten van de boot en vallen op onze hoofden, op onze armen, kriebelen via mijn hals, langs mijn rug tot in mijn slipje…Het aperitief op het dek nemen is deze keer niet mogelijk, iedereen vlucht binnen.
Er zit al de hele reis een gekko op het dek, dat beest gaat zich vanavond zo volvreten dat hij geen poot meer kan verzetten.
Wanneer we onze kajuit binnen gaan, doen we pas de lichten aan wanneer de deur terug dicht is, en so far, so good, ik zie hier niet direct iets rondscharrelen.
Nog één volledige dag aan boord.
Ik ga ’s morgens nog maar eens op de voorsteven zitten en geniet eens te meer van de pracht van het landschap en van de vriendelijkheid van de kinderen.
Soms horen we hun gejuich al nog voor we het kleine dorpje tussen het groen ontdekken.
We stappen over in kleine bootjes en bezoeken een pottenbakkerij.
Ook hier weer alles zeer arbeidsintensief. Deze mensen werken van ’s morgens tot ’s avonds voor zo’n twee euro.
De vrouwen draaien hun potten niet op een schijf, de pot blijft staan, maar zij lopen er gewoon zelf omheen. Enerzijds omdat dit nu eenmaal traditie is, maar anderzijds is de klei die ze gebruiken trouwens toch niet echt geschikt om te draaien.
Ik maak er een zeer rudimentair hondje van, en een klein meisje wacht stilletjes af tot onze groep weg is om er mee aan de haal te gaan en het fier aan haar mama te laten zien.
De fotootjes die ik schiet moet ik zeker eens tonen in mijn keramiekklas!
Daarna worden we getoond hoe het sap van de palmbomen wordt geoogst. Op een geïmproviseerde ladder klimmen de mannen tot duizelingwekkende hoogten op de lange stammen. Het sap wordt verwerkt tot soft drink, suiker of palmwijn.
We bezoeken hierna nog eens een lokale markt waar we rustig rond kuieren, niemand probeert ons iets te verkopen. Maar alle aanwezige kinderen halen zoals gewoonlijk hun liefste : “hello” boven.
Je ziet altijd en overal kinderen, omdat die àls ze al naar school gaan slechts een halve dag les hebben.
Het is een beurtrol, wie ’s morgens gaat is vrij in de namiddag en omgekeerd.
Maar het analfabetisme in Cambodja is nog steeds ontzettend hoog. De opleiding van de kinderen wordt soms aangevuld door vrijwilligers die zelf hebben kunnen studeren en het op zich nemen een beetje van hun eigen kennis door te geven.
Een paar mensen van de groep proeven op de markt een lokale delicatesse, hard gekookte bevruchte eieren met een kuiken embryo er in.
De gids snijdt er één open, er komt een bruin gemarmerd eigeel tevoorschijn en een embryo.
Ze lepelt alles smakelijk naar binnen. Van minisnavel tot minipoten.
Ik vind het walgelijk, maar iemand oppert dat rauwe oesters toch ook niet echt je dàt zijn.
Ik wil er geen discussie over aangaan, ik wil het gewoon walgelijk blijven vinden.
Bij de lunch neem ik twee maal voorgerecht, omdat er zo’n lekkere slaatjes zijn, (de Khmer-salade is super!) maar ik vermijd alles waar ook maar iets van ei op ligt. Ik sla het hoofdgerecht over, maar ga wel twee keer naar de desserttafel omdat er mangoestientjes zijn, een fruit dat ik super lekker vind, maar dat momenteel nog moeilijk te krijgen is, want het seizoen loopt bijna op zijn einde.
Ik ga mijn haren wassen en neem een gratis coup de soleil door in bikini in de zon te gaan zitten tot mijn haar droog is.
En dan gaat alweer de gong, dit keer voor onze allerlaatste excursie.
Het is half drie, en het is werkelijk bloedheet, het zweet parelt van onze ruggen.
Het kost ons moeite om gefocust te blijven, maar we laten ons niet kennen.
We verkassen nog maar eens naar kleinere bootjes en bezoeken hiermee een vissersdorp en daar krijgen we een demonstratie van het ophalen van de kolossale netten, die op een vaste plek in de rivier liggen.
Het is een welvarend bedrijfje dat afzet vindt op de lokale markten maar ook uitvoert naar Vietnam.
De honden en de kat die hier rond lopen zijn de enige niet-schurftige exemplaren die ik tot nog toe op deze reis heb gezien.
Maar wat wij in de netten zien liggen is maar een povere oogst, want de maan staat nog helemaal niet goed. De visvangst hangt samen met de stand van de maan zegt de eigenaar, dit is een slecht moment.
We leggen ook even aan bij een familie die de vis, die door kleine vissersboten wordt binnengebracht zit te sorteren.
Op een drijvend plateau met een dak erboven, wordt de vis door nijvere handen gelost en in verschillende manden getrieerd.
Op datzelfde plateau staan ook een paar houten verhogen die als bed dienen, er staat een matras rechtop tegen de muur, een paar stoelen aan de kant. Er hangen familiefoto’s aan de muur, genomen voor de ruïnes van Angkor en er is een huisaltaartje, met als grootste en voornaamste ornament: een grote houten vis.
Deze mensen leven van en tussen de vis, en ze hebben er het gepaste respect voor. Ze zijn er dankbaar voor dat ze dankzij de visvangst een goed leven kunnen hebben.
Onze laatste zonsondergang aan boord is een plaatje!
De ondergaande zon schildert de Tonle Sap in prachtige kleuren en ik schiet een reeks super mooie foto’s en geniet nog eens met volle teugen van dit mooie landschap.
Tijdens de afscheidscocktail wordt al het personeel aan ons voorgesteld en elk radertje van deze perfect geoliede machine ontvangt zijn welverdiend applaus.
Met een lekker diner sluiten we een hoofdstuk van onze vakantie af.
Maar morgen wacht ons nog een mooie tocht op het Tonle Sap meer, vooraleer we definitief afscheid moeten nemen van de RV Indochine en zijn bemanning.
12/12/10
Het Tonle Sap meer blijkt zo groot te zijn dat je de oever niet eens kunt zien, het lijkt wel alsof je op zee zit.
De laatste voormiddag aan boord wordt niet meer zozeer genieten als wel wachten .
En ook het afscheid verloopt een beetje in mineur.
We hebben het anker nog niet uitgegooid of er komt een vloot kleine bootjes onze richting uit.
Uit elk bootje komt een klaaglijk gejammer. Uit alle monden van de opvarenden wordt een dollar geëist.
Op het platteland verdienen loonarbeiders 2 tot 2,5 dollar voor een dag hard werk. Maar de mensen waren er vriendelijk en bedelaars hebben we niet gezien.
In Siem Reap komen tegenwoordig hordes toeristen en die zijn een meer lucratieve bron van inkomsten.
We moeten om aan wal te geraken weer overstappen in kleine bootjes en onmiddellijk worden we aan alle kanten omringd door de bedelaars die zich aan de rand van onze boot vastklampen.
We houden onze spullen goed vast en er is dus niet echt tijd om te genieten van het laatste uitwuiven van een fantastisch lieve crew.
Het gejammer houdt niet op. In de boten rond ons staan kinderen met een wurgslang om de hals, om de toeristen hun richting te doen uitkijken. Wanneer het beest niet netjes blijft liggen krijgt het een tik op de neus.
Twee vuile jongetjes die blijkbaar met onze boot waren meegelift beginnen met hun vuistjes op de ruggen van de passagiers te kloppen en een imitatie van een massage uit te voeren.
Eén echtpaar geeft hen 2 dollar.
Makkelijk verdiend.
We nemen onze intrek in hotel Apsara in Siem Reap. Ten noorden van de stad liggen de tempels van Angkor. De grootste en bekendste tempel, Angkor Wat, ligt maar zes kilometer van het stadscentrum. Het silhouet van die tempel is het symbool van Cambodja, het staat prominent op de Cambodjaanse vlag. Geen enkel ander gebouw ter wereled geniet een dergelijke eer.
Siem Reap betekent overigens “Siamezen Verslagen”, niet zo’n tactvolle naam voor een plaats vlak bij de grens met Thailand (het vroeger Siam).
We spraken altijd van dé tempel Angkor Wat.
Maar in feite is deze tempel slechts één van de vele. In het gebied “Angkor”, dat 25 vierkante km omvat, staan méér dan 100 kleine en grote tempels.
De tempels van Angkor zijn in een periode van 600 jaar gebouwd door verscheidene Khmer-vorsten. Daardoor verschillen ze duidelijk in bouwstijl en zijn er zowel Hindoeïstische (bijvoorbeeld Angkor Wat) als Boeddhistische tempels (bijvoorbeeld Bayon) te zien.
De oudste dateren van 802 ten tijde van Jayavarman II
Er werd aanvankelijk enkel baksteen gebruikt, maar het was dankzij de introductie van het bewerkelijke zandsteen dat het talent van de beeldhouwers volledig tot zijn recht kon komen.
De bouwwoede van de vorsten vond haar oorsprong in de Devarajacultus.
Bij zijn troonsbestijging liet elke koning een beeld maken gewijd aan Shiva of Vishnu dat in het belangrijkste heiligdom van de tempel werd geplaatst, hij geloofde dat hij na zijn dood één met deze godheid zou worden en als dusdanig zijn koninkrijk verder zou kunnen beschermen.
De God Brahma valt dergelijke eer niet te beurt. Er bestaat een legende dat die met zijn eigen dochter geslapen zou hebben en de Cambodjanen vinden dat maar niks.
De stad Angkor, had op het hoogtepunt van het Khmer Rijk mogelijk een miljoen inwoners.
Die woonden echter allemaal in houten huizen, waar uiteraard niets is van overgebleven.
Evenmin is er iets overgebleven van de houten versieringen of zijden wandkleden waarmee de tempels waren versierd.
Ook de kleur is verdwenen. Tijdens de Hindoe tijd waren het gouden tempels, de Boeddhisten overschilderden dat met hun eigen heilige kleur: het rood.
Maar de tijd heeft zijn werk gedaan.
De tempels presenteren zich nu aan ons in een sublieme maar serene schoonheid.
De meeste zijn gebaseerd op een basisontwerp met vijf torens: een in het midden, en vier lagere daaromheen. De tempels zijn eigenlijk schaalmodellen van de kosmos, de 5 pieken van de berg Meru, waar de Goden wonen, met daar rond de continenten en de oceanen.
Angkor Wat is de enige tempel gericht op het Westen (de richting van de dood) en diende dus waarschijnlijk voor begrafenisdoeleinden.
Alle andere tempels vangen het licht van het Oosten op, de opkomende zon symboliseert het leven.
De eerste namiddag wacht ons al een leuke verrassing, het programma voorzag in een halve dag rust, maar we gaan er gelijk al tegenaan en bezoeken onze eerste twee tempels.
Aan de ticket office worden we één voor één gefotografeerd vanuit de meest niet-fotogenieke hoek die je maar kunt bedenken, (van onderaan de kin naar boven) maar de efficiëntie druipt er hier werkelijk af. Binnen enkele minuten hebben we allemaal ons 3 dagen pasje met foto.
De eerste tempel die we bezoeken is Bantey Srey, ook wel de citadel van de vrouwen genoemd. Het is een relatief eenvoudig en klein gebouw, maar het beeldhouwwerk geldt als het mooiste van alle tempels in Angkor.
Het is zo fijn, dat het lijkt alsof enkel vrouwenhanden het hebben kunnen maken.
Heel bijzonder aan deze tempel is ook dat hij als enige is opgetrokken uit roze zandsteen.
Hij werd gebouwd in de tweede helft van de tiende eeuw.
De tweede is Banteay Samré, een iets jongere tempel die dateert uit de eerste helft van de 12e eeuw, die werd gebouwd in dezelfde stijl van Angkor Wat.
Omdat deze tempel redelijk afgelegen is, is het er rustig en vredig.
We krijgen een diner-buffet in ons hotel, maar om 9 uur is bij mij de batterij helemaal plat.
We hebben ontzettend weinig geslapen tijdens onze cruise, omdat er altijd zoveel te zien en te doen was, en het wordt hoog tijd dat ik even bijslaap.
De volgende ochtend 13/12/10 voel ik mij als herboren en ben er weer helemaal klaar voor.
We rijden met de bus naar Angkor Thom, de oude, ommuurde stad van Angkor met indrukwekkende toegangspoorten, waar je naartoe wandelt over een brug met goede en kwade geesten over een idyllisch groen watertje. Ten westen en ten oosten lagen enorme rechthoekige waterreservoirs, die de stad van water voorzagen en ook dienden voor irrigatie van het land.
Centraal in de stad ligt de tempel van Bayon. Van een afstandje ziet deze tempel eruit als een donkere chaotische stapel stenen. Dat komt doordat deze tempel maar liefst 54 torens heeft. Maar eens je de trappen begint te beklimmen wacht je achter elke hoek een spectaculaire verrassing, de camera klikt overtime.
Elke toren bestaat uit 4 mysterieus glimlachende gezichten elk uitkijkend in één van de vier windrichtingen.
De goed gepreserveerde bas-reliëfs tonen niet alleen heroïsche veldslagen, maar ook het dagelijkse leven in de 12e eeuw. De uitleg van onze gids maakt het begrijpelijk en interessant.
Maar toch wil ik ook zo nu en dan eens gewoon mijn ogen de kost geven en genieten van het totaalspektakel.
Het wow-gehalte van deze tempel is werkelijk enorm.
In Angkor Thom bezoeken we ook de Bapuon tempel.
Deze is nog volop in restauratie. Wat het derde terras moet worden, zijn nu een aantal losse stenen die in een bepaalde orde in het gras klaar liggen om naar boven te worden getransporteerd.
Maar we worden wel toegelaten om tot op het tweede terras te klimmen en vandaar is het zicht om de aangelegde vijver heel mooi.
In het gras vinden we massa’s klavertjes vier. We plukken er allemaal een paar en vertellen onze gids dat dit bij ons gelukssymbolen zijn. Maar hier is dat niet zo, de heilige getallen zijn altijd oneven.
Hierna bezoeken we het olifantenterras en het terras van de Melaatsenkoning.
Het is niet echt een koning, en melaats was hij ook al niet want eigenlijk gaat het om Yama, de God van de onderwereld, zo wat het equivalent van onze St. Pieter. Maar het beeld mist een aantal vingers en tenen en vertoont vlekken en daardoor dacht men eerst dat het ging om één van de koningen van Angkor, waarvan de legende vertelt dat hij melaats was.
Dit beeld is trouwens een kopij, ik heb het origineel al gefotografeerd in het museum van Phnom Penh.
We nemen een lunch in een gezellig restaurant in de stad dat ons een hele lekkere Khmer maaltijd serveert en rijden dan naar de volgende tempel.
En dat wordt Ta Prohm. Deze tempel werd niet gerestaureerd en is overwoekerd door jungle. Dikke wortels van enorme bomen hebben zich een weg gebaand over en door de stenen.
Dit is werkelijk ongelooflijk! De sfeer die hier hangt is exotisch, zwoel…je waant je een ontdekkingsreiziger in onontgonnen gebied.
Het lijkt bijna te mooi voor woorden, het lijkt bijna een filmdecor, en dat is het ook, want Tomb-raider met Angela Jolie werd hier opgenomen.
Foto 027 028 029
Op de terugrit houden we halt bij de Takeo tempel.
Dit is een Hindoe heiligdom uit de 11e eeuw en is gewijd aan de god Shiva.
De vernieler uit het grote trio.
(Brahma is de schepper, Vishnu de onderhouder en Shiva de vernietiger.)
Deze piramide uit zandsteen werd echter nooit helemaal afgewerkt.
Cambodjanen beklimmen de trappen niet, dat zou ongeluk brengen.
Voor alle zekerheid blijf ik er ook maar vanaf. Niet dat ik bijgelovig ben of zo hoor, maar misschien heb ik niet genoeg klavertjes vier geplukt om me te beschermen.
Hierna stoppen we bij wat onze gids de twin temples noemt, Chau Say Thevoda.
Over de geschiedenis van deze gebouwen is weinig bekend.
Eén van beide is gerestaureerd en die gaan we bekijken.
Onze laatste stop is Srah Srang, ook wel the Royal bath genoemd.
Een hele mooi meer waarop waterspelen werden gehouden, we staan op het terras van de koning en vinden het prima zoals het nu is, leeg en sereen.
Na een gezellig diner op het terras van een heel goed restaurant in de stad ga ik met mijn echtgenoot nog even naar de avondmarkt.
De markt is gericht op toeristen, zowel wat het aanbod als wat de aankleding betreft. De straatjes zijn breder, het is er lichter, minder hectisch, maar je wordt wel continu tot kopen aangemaand.
We kopen ons traditionele souvenirtje, overal waar we heen reizen kopen we een tegeltje voor aan de keukenmuur. Tot onze grote tevredenheid groeit onze verzameling steeds maar verder.
En we kopen ook een nep-kipling tas.
De bedoeling is om onze valies iets minder vol te moeten pakken, zodat het risico op openspringen toch al iets verkleint.
Maar we hebben ook kofferriemen en tape gekocht om ze volledig in te pakken.
We houden onze vingers gekruist dat we al onze spulletjes weer veilig thuis krijgen.
Met de tuktuk laten we ons terug naar ons hotel brengen, nemen nog een slaapmutsje en duiken het bed in.
14/12/10
Ik duik voor de derde keer het mooie zwembad van het hotel in.
Het is zalig. Heel mooi en tropisch, maar het is midden december en dus staat de bonzai er broederlijk naast twee kerstbomen met alles er op en er aan.
Vandaag nog maar eens een highlight. Hét monument, dat Cambodja op de wereldkaart plaatst. De grootste tempel ter wereld: de tempel van Angkor.
Angkor Wat geldt als het absolute hoogtepunt van de Khmer kunst.
De tempel werd gebouwd door Suriyavarman II, hij werd opgeleverd in 1150 en omvat 81 ha. Hij is gewijd aan de god Vishnu.
In Angkor Wat, zie je heel duidelijk het basisontwerp terug, de oceanen worden hier gesymboliseerd door een enorme slotgracht van 190 meter breed. De toegangsbrug wordt bewaakt door een zevenkoppige naga (mythische slang).
De vier zijden van het vierkante complex zijn versierd met ongelooflijk mooie, twee meter hoge bas-reliëfs. Elke muur vertelt een ander verhaal uit de geschiedenis of legende. Hier geen scènes uit het dagelijkse leven, maar enkel oorlogen en mythologische verhalen.
Het meest beroemde motief bevindt zich aan de Oostzijde: “het karnen van de zee der melk”, een complex scheppingsverhaal uit het Hindoeïstische epos de Bhagavata-Purana.
Goden en Demonen proberen de berg Mandara te gebruiken om de oceaan te karnen tot een onsterfelijkheidelixir.
Door het karnen ontstaan ook mythologische wezens zoals de aspara’s, de hemelse danseressen, die een dankbaar motief voor de beeldhouwers vormden.
Op de muren van de tempels zijn heel veel van deze danseressen afgebeeld.
Slechts ééntje lacht zo breeduit dat je haar tanden ziet. Alle toeristen willen hier een foto van, ook al moet je er een beetje klimwerk voor over hebben.
Elke houding in de aspara-dans heeft een bepaalde symboliek en van oudsher werd deze kunst enkel aan het koninklijk hof onderwezen.
Heel weinig ingewijden overleefden echter de gruwelen van de Rode Khmer en de dans was bijna in de vergetelheid geraakt, de tempelreliëfs waren dan ook effectief een hulp voor prinses Boppha Devi die deze kunst weer tot leven wilde wekken.
Na de lunch in alweer een zeer leuk restaurant waar we op typische gerechten worden vergast bezoeken we Neak Prean, in de twaalfde eeuw in Boeddhistische stijl gebouwd.
Het is een bad voor rituele reinigingen dat bestaat uit één groot vierkant bad, met op de assen nog vier kleinere baden.
In het midden is er een vierkant eiland met twee naga’s.
Deze site verwijst naar Anvatapa, een mythisch heiligdom in de Himalaya.
Het is er sereen en rustig en ik zou wel uren aan de rand van de vijvers willen blijven zitten.
Maar ons bezoek aan Angkor zit er op.
Omdat de site zo ongelooflijk groot is hebben we uiteraard heel veel niet gezien, maar we hebben zeer zeker een hele goeie indruk gekregen van deze prachtige stad uit de oudheid.
We hebben nog even tijd om te relaxen bij het zwembad en ik profiteer er van om ook mijn reisverhaal bij te werken bij een fris wit wijntje.
’s Avonds alweer een lekker en typisch diner en nog een afzakkertje in de bar, het is tenslotte onze laatste nacht.
We mogen wat langer slapen, want er staat maar een korte uitstap op het programma: een zijde-boerderij.
We krijgen het hele productieproces en de hele levenscyclus van de zijderups uitgelegd.
Ik onthoud vooral, dat voor het maken van de zijde de rupsen moeten sneuvelen, want anders breken ze hun cocon ergo de kostbare zijdedraad.
Slechts 20 % van de cocons krijgt gratie, die moeten de vlinders leveren, die op hun beurt weer voor nieuwe zijdecocons moeten zorgen.
En verder onthoud ik de precisie en het geduld dat er nodig is om deze kostbare stof te weven.
We keren terug naar het hotel en leggen de laatste hand aan het inpakken.
Na het diner mogen we nog eens op shopping-trip of kunnen we naast het zwembad relaxen.
We kiezen voor het eerste en slaan nog een beetje buit in.
Ik heb het gevoel dat ik tijdens deze vakantie heel weinig heb gekocht, tot ik in mijn hoofd een lijstje maak van al mijn aankopen.
Allemaal nuttige dingen dat spreekt vanzelf!
Op die twee opiumpijpjes zitten we bijvoorbeeld al jàren te wachten.
En dan is het zover, de valiezen worden ingeladen en 10 minuten later staan we op de luchthaven van Siem Reap.
Gelukkig kunnen we ook hier net als in Zaventem onze defecte valies in plastic laten verpakken.
De vlucht naar Saigon vertrekt zelfs vroeger dan gepland en hier zitten we nu: in transit.
Er zijn nog heel wat winkeltjes en wat doet een mens wanneer hij zo’n 3 uur moet zitten wachten?
Juist ja, tenslotte hadden we door onze anderhalve dag vertraging op de heenreis nog niet de kans gehad om ook van dit land een aantal souvenirs mee te brengen.
Dat is dan dus bij deze volledig goedgemaakt.
Je houdt niet voor mogelijk welke super schattige schoentjes ik voor slecht 8 euro heb gekocht!
En welke vrouw kan er nu géén zwarte 100 % zijden lange broek gebruiken, die past toch gewoon overal bij!
We gaan nog een Vietnamees biertje drinken en ik herorganiseer alvast mijn handbagage.
Mijn fleece gaat bovenop en de slaappilletjes binnen handbereik.
De lange vlucht zit er op. We zijn in Frankfurt.
Het temperatuursverschil is zo’n 40 °. Maar we hebben er geen last van, want deze keer is onze vertrekhal wel degelijk verwarmd.
Ik voel mij verbazend fris na een nachtvlucht van 11 uur, maar nu begint het aftellen pas echt.
Het is zes uur in de morgen en onze vlucht naar Brussel is pas voorzien voor één uur ’s middags.
We hebben een plekje gevonden naast een koffieautomaat, waar je gratis lekkere koffie kunt krijgen.
We wachten en verlangen naar huis.
Op een uurtje vliegen wacht ons immers nog een topattractie, onze kleindochter Olivia, die nu zeven weken oud is en die we twee weken hebben moeten missen.
-
Recente
-
Koppelingen
-
Archieven
- december 2010 (1)
- augustus 2010 (1)
- februari 2010 (1)
- september 2009 (3)
- juli 2009 (1)
- mei 2009 (3)
- maart 2009 (3)
- februari 2009 (1)
- augustus 2008 (2)
- april 2008 (8)
-
Categorieën
-
RSS
Berichten RSS
RSS met reacties





















