Het straatje

HET STRAATJE
Héél lang gelden toen de dieren nog konden spreken , voerde ik soms urenlange gesprekken met de hond.
Al was hij eerder van het zwijgzame type , zodat het voornamelijk monologen werden.
Mijn moeder had hem vernoemd naar de enige hond ,wiens naam toe op ieders lippen lag: Lassie.
Maar aangezien het beest een rasechte Mechelse herder was ging hij zoals enigszins te verwachten viel nooit noemenswaardige gelijkenissen vertonen met de beroemde border-collie.
Lassie was zoals ik al zei geen groot prater, maar een zeer goed luisteraar, een kwaliteit die ik steeds ben blijven waarderen, ook in mensen.
Ik voelde hem in de gezinshiërarchie boven mij verheven omdat hij eerst at en minder straf kreeg, maar ook omdat hij er eerst was geweest.
Hij had bij mijn wieg gewaakt en zo het aureool van “grote beschermer” verdiend.
Ik heb me bij hem altijd veilig gevoeld, want iedereen was bang voor hem.
Helemaal aan het eind van het straatje net voor de wereld bijna ophield , woonde een heel dikke vrouw van wie ik meende te weten dat ze een zoon had.
En ik ben er bijna zeker van dat ze zelfs een man had , maar die zweefde onzichtbaar in haar omvangrijke schaduw.
Jaren hoorde ik haar 3 maal daags schreeuwen: Free, komen eten!
Maar op een dag hield ze daar om een onverklaarbare reden ineens mee op.
Ze was heel donker en ze rook naar oude vrouw en als ze je heel dicht tegen haar stijve zwarte schort trok over een blubberige boezem heen dan zag je de zwarte haartjes op haar bovenlip.
Haar haar is nooit grijs geworden, zelfs toen ze jaren later naar het “gesticht” vertrok was er nog geen lijntje in te bekennen.
Puur natuur nog steeds ,verzekerde ze iedereen die het horen wou.
Maandelijks hingen in haar tuin grote witte lappen en mijn moeder beweerde dat dit niet natuurlijk was voor een vrouw die de 70 naderde.
Maar Julia was trots op haar lappen en lachte de buurt uit.
Ik was bang van haar.
Ze probeerde me steeds zover te krijgen dat ik bij haar in de tuin bloemen ging plukken voor mama.
Maar meestal werd het een klein boeket , want hoe groot ook mijn verlangen naar een “echt”boeket om aan mama cadeau te kunnen doen en niet zo’n belabberde paardebloem of kort-stelige madeliefjes die er in hun confituurpotjes altijd een beetje zielig uitzagen, mijn angst kreeg steeds de bovenhand.
Julia had een heel venijnige manier om me te pesten.
Ik was 4 en ik wist perfect wie ik was en toen ze keer op keer mijn voornaam koppelde aan de meisjesnaam van mijn moeder schreeuwde ik en stampvoette, want ik wist ook toen al dat ik dat niet wou zijn: mijn moeders dochter.
Maar dus moest ik van mezelf natuurlijk wel telkens terug om een beetje boete te doen en als een bijtje aangetrokken door de weelderige kleuren ging ik opnieuw mijn offergaven kiezen, met een ingetrokken angeltje, dat trouwens toch nog te kort was om iemand te kunnen steken.
Als ik geluk had werd ik uitgenodigd door Julia , met de hond, de rechtstreekse buurvrouw van de eerste , die ook een mooie bloementuin had.
Deze Julia lachte vaak en als ze lachte kon je zien dat haar valse tanden een beetje aan de grote kant waren en het verhemelte onnatuurlijk roze ,maar vooral het feit dat àls ze lachte dat het dan niet om mij was maakte dat ik haar veel aardiger vond.
Maar ze had natuurlijk wel een hond en ze was er als de meeste hondenbezitters van overtuigd dat die van hààr niet beet, iets wat ik ten zeerste betwijfelde.
Julia met de hond was een kerkuil zei moeder, een transfomatie die zich waarschijnlijk alleen bij donker voltrok , want ik ,die vroeg naar bed moest heb het in ieder geval nooit gezien.
Of misschien dat Julia wel tijdens de mis in een vogel veranderde.
Want daar ging ze elke week heen en wij niet en uit de toon van moeder kon ik opmaken dat daar best wel rare dingen gebeurden.
En tenslotte is het allemaal goed en wel eventjes in een uil te veranderen, maar stel je voor dat je in een spin of een slang zou veranderen of dat je nooit meer terug mens zou worden.
In die tijd duurden de zomers nog minstens 9 maanden, waarna ze , voldragen, uiteenspatten in sneeuwlandschappen.
Dus zaten de oudere mensen het grootste deel van het jaar ’s avonds buiten op de stoep en sleepten hiervoor uit de keuken een stoel met chromé pootjes en formica zitting aan.
Soms lag er een zelfgehaakt kussentje op de zitting, met een heel dunne vulling die er door de jaren heen alleen maar dunner op werd en waarvan uiteindelijk alleen een tamelijk vies lapje haakwerk overbleef dat nog weinig aan het zitcomfort toevoegde.
Ik vond dat de zaligste momenten van de dag.
De contouren van de gezichten vervaagden, zodat niemand er nog uitzag om bang voor te zijn.
De stemmen klonken gedempt, gevallen met de laatste zonnestralen.
Ik koesterde de zeldzame dagen dat mijn ouders aan de avondgesprekken wilden deelnemen en ik niet vroeg naar bed werd gestuurd.
Maar zelfs vanuit mijn bed lag ik nog te luisteren naar het wiegende geluid van de stemmen , slechts onderbroken door een snerperige kreet van de stoelpoten wanneer die even over het oneffen voetpad verschoven.
Blijkbaar was de verantwoordelijkheid van de gemeente geëindigd bij de rijweg, want iedereen had voor zijn deur eigenhandig een mozaiek van min of meer bijeenpassende steentjes gelegd.
Elke dag werd het vuil ervan in de goot geveegd en dan zijdelings langs de stoep tot voor het huis van de buurvrouw, die het dan weer meenam tot het tenslotte in het rooster van het riool werd gekeerd.
Ik genoot ervan om naar dit ritueel te kijken en ik imiteerde het met een kleurrijke kleinere versie van de borstels die de dames hanteerden.
Dit deed ik achterin onze tuin waar een schuur stond met een oude voordeur erin en waarvoor mijn vader een betonvloertje had gegoten .En ik werd bij het vegen van mijn stoep aangemoedigd en bewonderd door een hele kolonie poppen die elk jaar met sinterklaas nog een stukje aangroeide.
Ik hield van mijn poppen.
Een beetje méér van de nieuwste uit vinyl die “echt haar” hadden dat ik kon kammen en een beetje minder van die uit hard plastic waar het haar alleen maar werd geïnsinueerd door een lichte verhevenheid en vaag kleurverschil.
Het meest hield ik van Oscar , die bij me sliep en die was vernoemd naar de visboer die elke vrijdag de zee tot voor onze deur bracht.
Maar ik hield niet van Mireille, die toevallig mijn naam droeg en heel vaak in de hoek moest staan omdat zij blijkbaar altijd iets verkeerds had gedaan.
Terwijl haar iets grotere , maar vrijwel identieke zuster nooit straf kreeg.
Toen later de grote revelatie “Barbie” op de markt kwam verlegde ik mijn aandacht naar het poppenhuis.
Ken was toen nog niet uitgevonden en zijn schrijnend lege plaats moest ingevuld worden door de enige jongenspop die ik naast Oscar nog had: Moeboejoe , een negerjongetje , die te groot was voor het huis.
Maar omdat ik al had gemerkt dat vaders toch meestal niet thuis zijn was dat niet zo erg.
De uithuizigheid van vaders was een thema dat zelfs werd verwerkt in een spelletje dat we later op school speelden en “huis”" heette , om niet te zeggen dat het infeite het enige thema was.
Want het spel kwam er op neer dat paren werden gevormd en dat dan de jongens wegvluchtten om op café te gaan zitten en wij ,de meisjes, holden er achteraan en probeerden ze terug naar huis te sleuren.
We maakten nooit ruzie over wie met wie een paar mocht vormen omdat het mooiste meisje gewoon de mooiste jongen kreeg.
Nicole had blauwe ogen en blonde vlechtjes , maar als zij ziek was kreeg ik Ronny.
Er was een hekje achteraan de tuin langswaar de hond werd uitgelaten ,en ik ook , maar jammer genoeg lang niet zo vaak.
Zo nu en dan mocht ik bij de andere kinderen in het veld spelen , maar als er nog niemand was moest ik de klus alleen klaren, want ik mocht hen niet gaan roepen.
Dus liet ik de hond los en riep hem dan héél luid terug in de hoop dat de kinderen mij wel zouden horen.
Jammer genoeg was de hond erg gehoorzaam en kon ik meestal maar één keer roepen.
En zo kwam het dat ze me vaak niet hoorden en dat ik langs de korenaren liep en lieveheersbeestjes verzamelde in lucifersdoosjes of ,als die er niet waren, kleine zwartgroene kevertjes die je op wilgen vond of als ik me er moedig genoeg voor voelde soldaatjes (want die kriebelden zo eng)
Soms hoorde ik hen dan lachen of zag ik een glimp van iemand die zich leek te verbergen in de gemeenschappelijke tuin die den hof werd genoemd en voor mij verboden terrein was en dan probeerde ik me groot en zichtbaar te maken.
En ’s avonds huilde ik omdat ik mijn kevertjes was vergeten bevrijden en de doosjes nu vol lijken staken.
In het straatje woonden een aantal mensen die allemaal familie van elkaar waren, grootmoeders, tantes, moeders en kinderen liepen bij elkaar in en uit met stukjes informatie, advies en taart.
Grootvaders , ooms, zonen en kleinzonen bouwden volières in diezelfde hof , waar ik geen toegang had.
Op straat begroeten ze je allemaal met een korte samenvatting van het weer, en een beschrijving van de lucht zo gedetailleerd dat ze je de moeite bespaarde zelf naar boven te kijken.
De appreciatie van dit weer hing louter van hun eigen gemoedstoestand af , maar liet desalniettemin geen tegenspraak toe.
Mijn favoriet uit deze familie was Romain, de stamoudste , die bij het krieken van de dag post vatte aan zijn voordeur en deze plek enkel verliet om te eten of te slapen.
Ik denk dat hij het weer bewaakte.
En ik denk ook dat hij net als Julia 1 oud en een beetje vies rook, vanwege zijn slierterige haar en de vettige pet die er steeds bovenop stond, maar ik ben nooit dicht genoeg bij hem gekomen om dit te verifiëren.
Romain is er nooit in geslaagd mijn naam ordentelijk uit te spreken, maar in tegenstelling tot Julia 1 deed hij dat niet om mij te pesten.
Ik denk dat hij gewoon te weinig tanden in zijn mond had om er alle medeklinkers uit te krijgen.
Toen het huisje waarin hij al 50 jaar woonde te koop werd gesteld is hij heel bleek geworden is gaan liggen en is dan gewoon gestorven.
Zijn vrouw heeft nog enkele maanden zijn plaats aan de voordeur overgenomen, maar toen de hamer definitief viel was ze nog niet dood en haar kinderen hebben haar naar een gesticht overgebracht omdat ze toch maar dement begon te worden.
Romain kreeg op het kerkhof dezelfde buur als hij in het straatje had gehad maar zijn graf was veel minder mooi.
Marcel , de duivenmelker rustte onder een marmeren tombe met een engel erbovenop en een heel droevige boodschap van zijn vrouw, die hem toch zo miste.
Maar moeder zei dat die vuile tang hem beter een beetje beter had behandeld terwijl hij nog leefde en hem niet zo vaak putje winter op zijn duivenkot doen overnachten en hem daardoor waarschijnlijk vroegtijdig naar zijn einde had geholpen.
De vuile tang heette Martha en ik herinner me van haar dat ze kleine voetjes had.
Niet dat me dat toen zo was opgevallen, maar ze zei het steeds tegen mij.
Ze zei : kijk Mireille, ik ben dan misschien wel een oude vrouw, maar ik heb nog altijd van die mooie kleine voetjes.
En dan keek ik ernaar en ze waren inderdaad wel klein, maar ze waren oud.
Maar veel erger vond ik het nog te kijken naar de voeten van Pauline, wiens vergroeide tenen helemaal naar boven kromden.
Ik denk dat dit kwam doordat ze zomer en winter blootsvoets liep en probeerde zo weinig mogelijk contact te maken met de grond.
Pauline had ook een tuin met veel mooie bloemen, waartussen ze als een kromme toverheks scharrelde, maar waar ik er nooit één van kreeg.
Ik heb moeten wachten tot ze dood was vooraleer Jules, haar man me een boeket pampasgras cadeau deed, wat van mama jammer genoeg heel vlug moest wegdoen want de hond was er allergisch aan zei ze.
Jules had meer geluk dan Marcel, hij had tenminste zijn vuile tang overleefd.
En om dat te vieren is hij nooit meer een dag nuchter geweest.
Naast ons woonde een zus van mijn vader, met wie mijn ouders officieel ruzie hadden.
Het was allemaal heel ernstig en heel volwassen en een ongeschreven beurtrol zorgde ervoor dat ze elkaar nooit tegenkwamen achteraan in de groententuin.
Het eerste gedeelte van de tuin was veilig, want dat was afgebakend met drie horizontaal boveneengeplaatste betonplaten , waarop scherven glas waren gemetseld, die de katten moesten ontmoedigen hun pootafdrukken achter te laten op onze proper geschilderde platen.
Als je op dit “koerke” zat had je altijd de illusie dat er een zwaar onweer dreigde ,want vader schilderde zijn platen met restjes verf van een carrossier.
Kwart-en halflege potten in diverse kleuren werden door hem gemengd en leverden steeds dezelfde onbestemde tint grijs-bruin op.
Maar achteraan was er enkel een draad die de hoven van elkaar scheidde.
En daar kon ik dus overheen hangen en proberen een glimp op te vangen van diegene die een tijdje mijn lievelingstante was geweest.
Mijn andere oom kwam soms bij haar op bezoek, maar nooit bij ons en dat vond ik jammer.
Maar nog veel jammerder vond ik het dat als ik mijn grootvader in haar tuin zag, dat die dan niet meer naar me toekwam om me mee te nemen om stekelbaarsjes te gaan vangen, of salamanders.
Of dat hij niet meer met mij naar de boomgaard ging om appels te stelen van de eigenaars, die toch rijk genoeg waren.
Mijn grootvader heeft me ook leren vloeken;ik kon prachtig vloeken in die tijd.
Maar niet lang nadat mijn grootmoeder was gestorven barstte dus de familie uiteen in twee kampen.
Mijn grootvader, zijn twee dochters en zijn andere zoon zaten in het ene kamp.
Papa en wij in het andere.
En mama was boos op me als ik ging “spioneren” of als ik zei dat ik weer vriendjes wou zijn met pépé.
Maar dat was waarschijnlijk omdat we toch al zo’n klein kamp hadden en omdat de ruzie er volledig door de schuld van de anderen was gekomen.
Op de hoek van de straat was een winkeltje en daar mocht ik soms alleen naartoe als moeder niet méér dan een paar artikels nodig had.
Maar ik was altijd zo opgewonden als de voordeur voor me openzwaaide dat ik er vaak in slaagde toch nog iets te vergeten of met iets verkeerds naar huis te komen.
Er woonde een heel oud vrouwtje in dat winkeltje: Jeanneke.
Haar huid was even grijs als haar haren en als de schort die ze droeg. Ze liep voorovergebogen door de reumatiek en zelfs haar vingers stonden ze er stijf van.
Ze frommelde de boerenboter in vetwerend papier dat moeilijk meegaf en als je niet oplette schoof het plakje in je boodschappentas er zo weer uit.
Het grootste schandaal dat ons straatje ooit heeft gezien was toen Jeanneke werd beroofd.
Een jonge man had haar een klap gegeven en was er met 200 fr vandoor gegaan.
We wisten allemaal wie hij was en niemand sprak nog ooit een woord met hem.
Maar hij kocht nu in andere winkels en werd dronken in café’s aan de andere kant van de stad.
Ik weet niet of de politie hem die 200 fr heeft doen teruggeven, maar ik hoop het wel, want Jeanneke kan vast en zeker niet rijk zijn geworden in dat piepkleine winkeltje van haar.
Dus, als ze daarna al eens vergat mij m’n gratis snoepje te geven als ik boodschappen voor moeder deed, dan vond ik dat minder erg.
Op zaterdag kreeg ik 2 fr zakgeld en dan haastte ik me net als alle andere kinderen van de straat naar Jeannekes winkeltje om een zak “brokkelingen “ te kopen.
Een witte puntzak gevuld met verkruimelde ijskreemwafeltjes waarin een surprise verborgen zat.
We waren er gek op omdat we in elke zak iets geweldigs dachten te vinden.
En dat deden we ook.
Soms zat er een snoepje in dat normaal misschien wel 5 r kostte en zijn weg naar de brokkelingen had gevonden omdat het er een beetje verfomfaaid was beginnen uitzien, maar dat nog best lekker was.
Soms zat er een geduldspelletje in of een medaillon in éénkleurig plastic.
Toen Lassie stierf was ik erg verdrietig.
Want al zag ik hem nog wel en praatte ik nog wel met hem, het was toch niet meer hetzelfde.
En je kon een hond die voor alle anderen onzichtbaar was natuurlijk ook niet meer mee uit wandelen nemen.
Maar gelukkig was het niet altijd vakantie en vanaf midden augustus brachten de buren er mij één voor één van op de hoogte dat het weldra weer school zou zijn.
Maar dat wist ik zelf ook wel, want het korenveld achter onze tuin was dan tot een stoppelveld herschapen en de zon werd niet meer echt warm.
Het feit echter dat ik hun nieuws met zoveel enthousiasme onthaalde maakte hen elk jaar opnieuw vrolijk en ontlokte hun complimentjes over mijn ijver.
Maar ik wist dat als de school heropende, ook het poortje weer openging.
Via de veldwegel die uitgaf op de straat waarin de school was gevestigd bracht mama me ‘s morgens naar school, maar ‘s avonds kwam ik alleen terug naar huis met de rang.
De rang was een kolonne kinderen die onder begeleiding van een paar verantwoordelijke volwassenen maximaal drie straten verder werd geloosd.
Het had allemaal iets met veiligheid te maken ,zei men, maar daar geloofde ik niet echt in .
Want de rang ging tòch voorbij het huis van Marie.
Marie was een mongool , ze had scheve ogen en mama zei dat ik medelijden met haar moest hebben. Maar dat had ik niet, ik was alleen maar bang van haar.
Marie stond altijd aan haar voordeur, net als Romain.
Soms draaide ze een wasspeld eindeloos om en om, maar soms had ze een krant in de hand en daarmee mepte ze op de hoofden van de kinderen uit de rang.
En ze mepte dòòr.
Dus schoven we elke dag gelaten voor bij haar , hopende dat de krant op een hoofd vòòr of achter ons zou neerkomen.
Men zegt dat mongolen niet lang leven , maar Marie weerlegde deze premisse door moeiteloos haar hele familie te overleven, al moest ze de laatste 30 jaar wel worden voortgeduwd in een rolstoel omdat haar benen haar enorme lichaam niet meer konden torsen.
Ik ging graag naar school.
‘s Zomers rook ik in de klas de geur van versgemaaid gras en ’s winters gooiden we sneeuwballen en maakten we ijsbaantjes op de speelplaats.
En ook thuis goot mijn moeder als het vroor een emmer water leeg over het koertje om dit zo voor mij in een ijspiste te herscheppen.
Toen Lassie nog leefde lokte ik hem er soms op en dan ketste hij er wijdpoots overheen, met zijn nagels krassen in alle windrichtingen achterlatend.
Soms bracht mijn moeder me zelfs met de slee naar school en deze bijzondere gebeurtenis herinner ik mij als het allerbeste wat het leven te bieden had.
Maar ik was een kluns in het maken van sneeuwpoppen.
Omdat ik een koukleum was probeerde ik het met gebreide wantjes aan , maar de sneeuw kleefde aan mijn wantjes en het resultaat leek nergens naar.
Toen ik met de mazelen thuis in quarantaine lag en zielig naar de sneeuw buiten lag te kijken maakte mijn moeder een sneeuwmannetje op de vensterbank en ik kon wel janken van dankbaarheid.
In het straatje maakte iedereen elke ochtend de stoep sneeuwvrij met schop en bezem en de postbode kreeg een druppel om de kou te vergeten.
De auto’s kraakten nog door de sneeuw , maar er werd niet meer gefietst en de buurvrouwen schuifelden voorzichtig voorbij op weg naar het winkeltje.
Het leven verstilde.
En ‘s avonds luisterden we vol aandacht naar de weersvoorspellingen.
Mijn ouders in de hoop dat het zou ophouden met winteren en ik met de vingers stiekem gekruist voor nog méér sneeuw.
De mensen zaten nu niet meer op straat ‘s avonds, maar geschaard rond de kolenkachel.
En ‘s morgens zeefden ze de asse en sintels uit op een braakliggend terreintje waarvan regelmatig iemand zei dat er binnenkort op gebouwd zou worden.
Uiteindelijk werd deze voorspelling bewaarheid, maar intussen waren de meeste buurtbewoners al overgeschakeld op mazout.
In ons straatje had niemand een auto en elk voertuig dat langs de huizen reed werd met een beetje achterdocht gevolgd
Zelfs als wij met ons gezin een dagtripje met de trein maakten waren we eigenlijk al een beetje ontrouw, want niemand ging ooit ergens anders heen dan naar het gesticht of rechtstreeks naar het kerkhof.
Maar wij waren een beetje “beter” dan de rest.
Dat bleek voor het eerst toen wij een salon kochten in namaak luipaard terwijl bij de buren de eerste kamer nog ongemeubeld was en uitsluitend dienst deed als fietsenstalling.
En later volop toen iedereen nog elke week naar het café toog voor Schipper naast Mathilde en wij ons een eigen toestel aanschaften.
Ik leerde Engels van Ivanhoe en Mannix, maar ik zag de kinderen van den hof alsmaar minder.
Toen het eerste gastarbeidersgezin in onze straat neerstreek had ik eindelijk een vriendinnetje dat aan huis mocht komen.
Het gezin was min of meer hierheen gehaald door Etienne , een vrijgezel ,die ons naar de kroon had gestoken door als eerste een buitenlandse reis te ondernemen.
In het zonnige, maar arme Spanje had hij een beeld opgehangen van ons gastvrije landje waar iedereen die een beetje wou werken rijk kon werken.
Antonio vond dat hij lang genoeg schapen had gehoed en kwam hier terecht in de textielnijverheid, en toen hij na lang sparen genoeg bijeenhad om een huis in zijn vaderland te kunnen kopen, keerde hij met zijn gezin prompt terug.
Etienne woonde nog steeds bij zijn moeder in een huisje dat hij had volgestouwd met staande lampen, beeldjes en andere prullaria en waar je je bijna niet durfde te bewegen uit schrik om iets om te stoten.
Koffie werd er geserveerd in protserige kopjes en het melkkannetje- mijn favoriet- was een Zwitserse koe, compleet met bel.
Etienne had bijna evenveel ringen als hij vingers had en zag zelfs ‘s winters bruin (maar dat was van ‘t flesje volgens mijn moeder en telde dus niet ) en hij had schitterend zwart haar dat tot zijn groot ongenoegen afgaf aan het kussen.
Omdat Etienne het niet zo begrepen had op het ruwere werk stelde hij zijn tuin ter beschikking van mijn vader , die hem beplantte en zo mijn horizon alweer verrijkte.
Toen het Spaanse gezin in onze straat kwam wonen werd de nieuwsgierigheid van de buurt geprikkeld en er ontstond een zekere wedijver in gastvrijheid.
Consuelo, het dochtertje kwam in mijn klas te zitten en via haar wonnen we de wedstrijd.
Niemand was ooit in contact geweest met mensen uit een andere cultuur en het straatje werd dan ook meermaals dooreengeschud door andere gedragingen of eetgewoonten.
Iedereen vond het normaal dat de vrouw des huizes frieten had leren bakken, maar toen ze daar als saus geen mayonnaise bij serveerde, maar het bloed dat ze had opgevangen van een eigenhandig geslachte kip werden de meesten een beetje wit om de neus.
Mijn moeder waakte er over dat ik tegen etenstijd altijd thuis was, maar Consuelo at wel vaak bij ons.
Zij sprak geen woord Nederlands en ik geen woord Spaans, maar als ik haar duwde wanneer ze op mijn schommel zat vroeg ik: “Nog?” en zij zei: “Si”
Maar uiteindelijk leerde ze Nederlands en maakten we ruzie en moeder zei dat ze ondankbaar was en dat ze maar nooit meer moest komen.
En dat was het dan.
De deur naar de vrijheid had eventjes op een kier gestaan, maar ging nu voor de rest van mijn jeugd potdicht.
Mijn moeder had zichzelf bewezen wat ze infeite toch al haar hele leven had geweten, zelfs zonder ooit Sartre te hebben gelezen wist ze: de hel , dat zijn de anderen.
Ik hing over het poortje , strafte steeds maar weer dezelfde pop en bedelde om een nieuw huisdier.
Ik kreeg een konijn en met Pasen 4 kuikentjes , maar allemaal belandden ze in de kookpot en ik voelde me bedrogen.
Het verkeer in het straatje werd drukker naarmate de welvaart van de bewoners steeg.
Velen hadden een auto , maar niemand een garage en doordat al die auto’s langs de stoep moesten worden geparkeerd vond niemand het nog gezellig om ’s avonds buiten te zitten.
Bovendien had nu ook iedereen televisie.Engelse en Australische buren maakten nu elke dag om hetzelfde uur hun opwachting .
Er gingen heel wat mensen dood en mijn tuin werd alsmaar kleiner.
Dat kwam doordat mijn vader steeds maar méér annexen aan onze schuur bouwde , maar misschien ook wel een beetje doordat ikzelf was gegroeid.
Uiteindelijk werd zelfs het poortje dichtgemetseld omdat het toch nergens meer heenleidde.
Het vroegere korenveld was verkaveld en er werden sociale woningen gebouwd, met piepkleine tuintjes waarin gefrustreerde honden blaften.
Maar tegen die tijd was ik gelukkig al langs de voordeur vertrokken.
De boot is altijd een klein beetje varen
Verslag van onze eerste kanotocht.

Voorbereiding:
Check: Weerbericht: droog in de namiddag. Prima.
Double check: Buienradar: geen buien. Kan niet meer stuk.
De boot met zijn twee de tuin uit gesleept langs het smalle hekje. Geen evidentie voor een lichtgewicht als ikzelf.
En dan op zijn draagkarretje gelegd.
Stel je het geheel voor als een kruiwagen van 4 meter lang, met 2 kleine wieltjes er onder.
Vastbinden was niet nodig volgens mijn echtgenoot.
De eerste 50 m langs de straat ging het prima, maar daarna in de graskant, kantelde “buut” (ik weet het, het is weinig origineel, maar zo heet hij, omdat ik een paar dagen heb lopen zingen: buut komt naar huus) constant van zijn karretje af en moest er weer getild en gemikt worden om alweer 10 meter te kunnen rijden.
Het was echt niet het moment om te zeggen : we hadden hem tóch moeten vastbinden, want dan riskeerde ik méér dan alleen maar een scheurtje in de echtelijke vrede.
Dus: tillen, mikken en niet zeuren.
Gelukkig vonden we zonder veel moeite een schuine modderige helling langs de Durme, die er door ons nog steeds laaiend enthousiasme als een drie sterren aanlegsteiger uitzag.
En wonder boven wonder geraakten we allebei, droog, de boot in.
Al vreesde ik er wel eventjes voor toen ik Jos zag instappen met zijn kont in de verkeerde richting.
En al zorgde een motorboot, die tijdens dit maneuver één keer in elk van beide richtingen voorbij sjeesde, ervoor dat de risicobalans een pietsie meer naar een verwachte natte instap overhelde.
Against all odds gingen we kurkdroog te water en het peddelen kon beginnen.
Ik zal geen boom opzetten over het niet altijd feilloos afgestemd zijn van onze wederzijdse coördinatie, want al bij al vind ik dat we het er treffelijk vanaf brachten.
Al moet het voor de -gelukkig onbestaande- toeschouwer best wel grappig zijn geweest dat we er soms maar niet in slaagden naar links te varen terwijl we samen en met vereende krachten enkel met onze linker peddel werkten.
Maar het was mooi, niet te warm, er waren geen dazen, maar wel jonge futen, jonge meerkoeten…mooie bebloemde oevers. Enfin, idyllisch , quoi.
En na een 20 minuten op mijn tanden bijten deden mijn schouders al heel wat minder pijn.
Toen we ons eindpunt , Spletterenbrug, hadden bereikt en tevreden onze steven wendden zag het er in de richting waarvan we kwamen wel ineens een beetje grijsjes uit.
Maar we hadden geen tijd meer om eraan te twijfelen of het eventueel zou kunnen gaan regenen want het regende al.
En ineens hoorden we ook de donder roffelen in de niet ver genoege verte.
Als 2 olympische roeiers zetten we koers naar Daknam brug, waaronder we wilden gaan schuilen.
En we prezen ons gelukkig dat we daaronder inderdaad grotendeels beschermd waren voor de wolkbreuk die intussen was losgebarsten.
De blaasjes dansten op het water, er zweefde een lichte mist boven de rivier en dat was best wel mooi al was het voor een zekere gemoedsrust wel nodig dat je deed alsof je de donder niet hoorde.
Ik had ons touw vastgemaakt aan een ijzeren balk aan de onderkant van de brug en daar lagen we dan te wachten tot de bui overdreef.
Maar lang voor dat heuglijk feit zijn intrede deed hoorden we ineens een schelle bel en we beseften: de brug gaat open.
Nu wist ik op dat moment niet meer HOE die brug openging, of ze zou draaien, of dat ze omhoog ging, maar ik kan je wel vertellen dat ik daarover niet eventjes wou gaan zitten nadenken.
Dus haalde ik als een matroos op speed mijn touw in, zodat we niet met buut en al uit het water zouden worden getrokken.
Het was een draaibrug.
Ze draaide open en wij zagen het met lede ogen aan in de plensbui der plensbuien.
Daarna gingen we enkel nog verder schuilen voor het onweer, natter konden we echt niet meer worden.
Pas als we de donderwolken zagen afdrijven aanvaardden we de terugweg.
De regen stopte, maar het bleef maar in de verte roffelen om ons alert te houden en de dazen die werden aangetrokken door de schuchter terugkerende zonnestralen en onze natte huid, deden hetzelfde.
We bleven maar tegen mekaar zeggen dat het toch echt wel leuk was, in de hoop dat we het ook zelf zouden geloven.
Maar mooi was het in elk geval!
Het aanmeren was niet evident, want goeie ouwe Murphy liet weer net op dat moment een motorboot voorbijvaren. En op de nu spekgladde, modderige oever klauteren, was ook niet direct iets wat je elke dag op je agenda zou willen zetten.
Maar we hielden ons goed. We bonden de boot vast aan zijn karretje (!) en wandelden heel wat makkelijker terug naar huis.
En daar stripten we onze kletsnatte, modderige kleren van ons vel en doken met een zucht van verlichting het zwembad in.
En merkwaardig genoeg zeiden we géén van beiden : dat moeten we binnenkort zeker nog eens doen.
Taboes
Taboes
Je kunt tegenwoordig geen tijdschrift voor tienermeisjes meer openslaan of je wordt geconfronteerd met naakte piemels.
De gefotografeerde heren in kwestie doen ons in de bijgaande teksten meestal uitgebreid konde van hun bedprestaties en het zal niemand verbazen dat het keer op keer kanjers in bed blijken te zijn, wiens vriendin nog net niet het behangpapier van de muren scheurt bij één van haar meervoudige orgasmen.
Enkele bladzijden verder wordt aan de lezende piepkuikens op zeer omstandige wijze uitgelegd hoe ze te werk moeten gaan om een anale penetratie zonder kleerscheuren te doorstaan. (en niet alleen “kleer”scheuren hoop ik ten zeerste)
En wie nog steeds de juiste techniek van de orale bevrediging niet onder de knie heeft is al minstens 10 jaar niet naar de kapper geweest.
In prime televisie-tijd zie je 3 belegen heren, een pitstop maken tijdens één van hun motortochtjes om een seksclub te bezoeken en zich de wondere wereld van het fistfucken uit de doeken te laten doen.
En hitsige heren die zich met hun gezwollen roede tegen auto’s staan aan te schurken, zorgen toch ook altijd weer voor een paar ontspannen televisiemomenten.
Baby’s floepen aan de lopende band uit ingezoomde vagina’s en mensen worden vakkundig uiteengereten en aaneengezet onder het nauwlettend oog van de camera.
Neen, er zijn duidelijk geen taboes meer in onze samenleving.
Maar kan iemand me dan eens een logische verklaring geven voor het feit dat menstruatiebloed in de reclames wordt gesimuleerd met een blauw verfje?
Of kan iemand me soms zeggen waarom “menopauze” een woord is dat in een gemengd gezelschap nooit valt?
Nacht na nacht baden vrouwen in het zweet, gooien de dekens van zich af, geraken onderkoeld, kruipen weer onder de dekens, waarna het spelletje van vooraf aan weer kan beginnen. Slapen wordt louter bijkomstig.
En overdag wissen ze zich stiekem de zweetdruppels uit de hals terwijl hun op hol geslagen hormonenhuishouding er ondertussen voor zorgt dat ze gevaarlijk balanceren tussen depressie en agressie.
En wat zeggen ze ’s morgens tegen hun mannelijke collega, wanneer die vraagt of er soms iets scheelt.
Ze zeggen: “O, niets, gewoon een beetje moe, ik heb niet al te best geslapen vannacht.”
Dus bij deze een oproep aan al mijn seksegenoten.
Dames,wanneer jullie de eerstvolgende keer een tampon moeten vervangen neem die dan gewoon ongegeneerd uit jullie tas en smokkel hem niet stiekem mee me in een mouw of in de extra diepe zak van de speciaal daarvoor aangeschafte broek.
Als je last hebt van je maandstonden of als je zenuwen op scherp staan van de opvliegers zég dat dan ook gewoon.
Spring op de barricade, sloop dat laatste taboe.
En mannen, misschien is het voor jullie in het dagelijkse leven toch wel net even iets relevanter te weten wanneer jullie vriendinnen een extra knuffel nodig hebben dan dat jullie een perfect fingerspitzengefühl met de tepelklemmen hebben.
Dus voor de echte dikhoofden onder jullie (en de fabrikanten van maandverband) nog een allerlaatste keer: menstruatiebloed is róód en menopauze is géén vies woord.
Zo, dit moest me echt even van het hart en vergeef het me maar, beste lezer als ik misschien een beetje te heftig uit de hoek ben gekomen, want ik heb vannacht niet al te best geslapen.

GGrrrrrrrrrrrrrr!!!!!!!!!!!!!
Nieuwe levensfase
Free at last free at last!
Ik ben gestopt met werken en daar keek ik al lang reikhalzend naar uit.
En toch… overrompelde me deze emotie:
In suspensie
Ik wacht.
Mijn kalender laat in kruissteekpatroon zien
hoe lang ik hier nog zit.
De muren zijn reeds leeg gestript.
Hier en daar zit nog een vuil profiel
dat voor niemand anders nog een herinnering kan zijn.
Geleidelijk ga ik van aan- naar af-wezig.
Het is alsof ik in suspensie ben.
Mijn handelingen zijn nog altijd beperkt door de witte wanden,
door de telefoon, het scherm van de computer.
Maar mijn gedachten waaieren uit.
Mijn dromen gaan al over de toekomst.
Maar eerst moet ik mijn anker nog uit mijn verleden lichten.
De ketting gleed heel lang, heel traag door mijn vingers.
Tot het die laatste dagen ineens heel snel begon te gaan.
En nu eindelijk het ijzer door het water breekt stel ik zonder verbazing vast
dat het schommelen van de boot me toch nog uit evenwicht brengt.
Afscheid nemen is nooit makkelijk.

Relatietherapie met een knipoogje
Mijn man en ik hebben ons vandaag ingeschreven voor een cursus relatietherapie.
We willen namelijk aan onze relatie werken.
Niet dat we denken dat ze ten dode opgeschreven is of zo, maar ze zit, laten we zeggen: een beetje in een dipje.
Onze eerste opdracht was: hou een dagboek bij en schrijf daarin zo vaak mogelijk op wat deze dag voor jullie relatie heeft betekend.
Nu, voor vandaag is dat alvast makkelijk: we hebben een opwindend nieuwe start gemaakt.
Mijn vrouw en ik hebben ons vandaag ingeschreven voor een cursus relatietherapie.
Onze relatie is, hoe zal ik het zeggen, een beetje op een dood spoor geraakt.
Onze eerste opdracht was: hou een dagboek bij en schrijf daarin elke dag op wat deze dag voor jullie relatie heeft betekend.
Mijn vrouw verwacht natuurlijk van mij dat ik net hetzelfde schrijf als zij: namelijk dat we een opwindend nieuwe start hebben gemaakt.
Maar misschien dat ik het niet moet gaan overdrijven, want als ik ook het woord ‘opwindend’ ga gebruiken dan denkt ze vast dat ik haar dagboek lees en dan gaat ze het beter verstoppen.
Vandaag zijn we een nieuwe levensfase ingetreden.
Daar! Ik heb het gehaald uit een artikeltje over “jong gepensioneerden”, maar ik vond het best OK klinken.
Ik vermoed niet dat zij ook MIJN dagboek leest, maar je weet maar nooit.
Het is een positieve verrassing voor mij dat mijn man tenslotte toch deze stap heeft gezet.
Meestal als ik over onze relatie wil praten zet hij zijn blik op oneindig en zijn hoofd in de knik-modus. “Ik hoor wat je zegt” zegt zijn hoofd, maar hij houdt zijn oren stijf-dicht.
Het lijkt alsof er een vliesje voor zijn ogen trekt terwijl tegelijk zijn oorsmeer zich tot een dichte prop aaneensluit.
Ik heb het al wel eens geprobeerd met schreeuwen en vloeken, maar het resultaat blijft hetzelfde.
Het geluid dringt wel door de prop, maar de woorden niet.
Nu ja, we hebben niet echt een slecht huwelijk hoor.
Ik ben best wel tevreden, maar toch…
Maar toch, zegt ze.
Joost mag weten wat ze daar mee bedoelt.
Ik heb mijn man, Jan, ontmoet op een feestje, ik keek naar hem en ik voelde onmiddellijk vlinders in mijn buik.
En ik blééf net zolang naar hem kijken tot hij tenslotte op me toe stapte en me ten dans vroeg.
Ik heb Annie leren kennen op een retro feestje, zo eentje met van die melige slows, maar dat vond ik toen mooi meegenomen.
Met welk excuus kun je anders op een vrouw toestappen?
Het klassieke “heb jij misschien een vuurtje?” zat er ook toen al niet meer in.
Roken was al tot het taboe van de nieuwe eeuw gebombardeerd.
Je kunt tegenwoordig als man beter zeggen dat je aids hebt, dan dat je toegeeft dat je zo nu en dan een sigaret opsteekt.
Dan is er misschien nog kans dat ze je op het einde van de avond neukt met een condoom en latex handschoenen.
Ik rook niet, maar als we weer eens op stap zijn met dat kliekje vriendinnen-en-echtgenoten van haar dan ben ik soms jaloers op dat kuchende troepje dat gezellig buiten op het terras gesprekken staat te voeren waar je je hoofd niet moet bijhouden.
Het toevallig ontstane gezelschap heeft immers géén gemeenschappelijke interesses en de leden ervan kennen in het beste geval elkaar niet eens, zálig.
Annie’s vriendinnen zijn me een beetje zwaar op de hand.
Als ik bij hen aan tafel zit vallen de kwartels me op de maag als vetgemeste kalkoenen, zeg maar.
Het lijkt soms alsof ze elkaar de loef proberen afsteken met het opsommen van sociale drama’s en enge ziektes uit hun kennissenkring
Beste meisjes overigens hoor.. O ,nee wacht.
Beste meisjes, die vriendinnen van Annie, we hebben gisteravond weer een prettige avond samen doorgebracht.
Zo!
Het moet me van het hart dat ik die uitjes met mijn vriendinnen alsmaar minder leuk begin te vinden.
Ik vind het uiteraard fijn dat Jan zich engageert binnen mijn vriendenkring, maar moet hij dan echt de héle avond in het décolleté van Sarah zitten staren?
Halloooo ik heb ook borsten!!!!
Wat nu weer?
Natuurlijk heb ik in Sarah’s décolleté zitten staren, ik kon nog net haar navel niet zien!
Maar waar háált ze het vandaan om dat bedreigend te vinden?
Alsof ik met een kloon van Annie vreemd zou willen gaan, dan kan ik al net zo goed thuis vogelen.
Annie ziet er overigens best aardig uit. Kleine, maar stevige borsten, waar ondanks haar complexen niets mis mee is, een leuk rond kontje dat mooi bolt in een strakke rok.
Maar toen ik haar dat ooit eens vertelde heeft ze de rok die ze toen aanhad aan spullenhulp gegeven.
Ze vond het geen compliment, zei ze. Een kont in een rok moet er dus blijkbaar uitzien als het verlengde van de rug, als géén kont dus.
Gelukkig heeft ze nog méér van die strakke rokken, die allemaal hetzelfde effect hebben, maar ik zal me er wel voor hoeden om daar nog ooit iets over te zeggen.
Ze koopt ze in een winkel in Gent en past ze voor een lachspiegel.
Neen, echt, ze heeft me eens heeft meegenomen op “koopjestocht” zoals zij dat eufemistisch noemt (het klinkt als een prettig wandelingetje, maar blijkt zwaarder dan een dagmars in legeruniform) en ik lag ik zowat in de stuipen.
Volslanke dames worden er in weerspiegeld als anorectische topmodellen.
Maar dat is nog niet het grappigste. De echte clou komt nog: de dames in kwestie doen alsof ze dat niet doorhebben.
Toen ik over de spiegel een opmerking maakte tegen een verkoopster zei ze: “Hij staat een beetje schuin, dat is alles.”
Ik ben op de kermis in lachpaleizen geweest waar de spiegels minder vervormden, maar ik zag Annie fronsend in mijn richting kijken, dus ik liet het er maar bij.
Vrouwen zijn veel te veel met hun uiterlijk bezig, als je het mij vraagt.
Maar dat is dan nog het minste, ze zijn ook veel te veel bezig met MIJN uiterlijk.
Vraag me of ik van mezelf vind dat ik er goed uitzie en ik zal je volmondig “ja “ antwoorden.
Vraag aan mijn Annie wat ze van mij vindt en ze zal je onmiddellijk een korte cursus geven over BMI en de jammerlijke erfelijkheid van een wijkende haarlijn.
Mijn vader was vroeg kaal en dat zal ik ook zijn, het laat zich nu al aanzien en het is onvermijdelijk, dus waarom moeten we het er dan telkens weer over hebben?
Ze heeft wel een beetje gelijk over mijn gewicht natuurlijk, dat mocht best iets lager zijn, maar als ik zo eens om me heen kijk, dan moet ik me nog lang geen zorgen maken.
Wat moet in nu in Godsnaam in dat verdomde dagboek schrijven?
Als ik er van uitga dat ze het niet leest, maakt het eigenlijk niets uit.
En mijn Annie is goudeerlijk, dus eigenlijk denk ik dat ze het niet doet.
Maar stel dat dat onzalig stukje therapeut na de cursus ineens voorstelt om onze dagboeken te ruilen dan zou ik wel eens diep in de shit kunnen zitten.
Dan zou ze het wel eens niet meer over een “dipje” kunnen hebben.
Eerlijkheid is dan ook geen optie.
Aan de andere kant mag ik het er ook niet te dik opleggen en mag ik zeker niet prijs geven dat ik háár dagboek wél lees.
Het wordt verdomme nog een pak ingewikkelder dan ik eerst dacht.
Had ik maar nooit toegestemd om mee te gaan.
Ik ben blij dat Annie me heeft overgehaald om met haar in relatietherapie te gaan.
De verplichting om regelmatig eens stil te staan bij “ons” werkt louterend ik besef nu pas wat voor heerlijke vrouw ik heb…
Bla, bla, bla
Daar trapt ze nooit in!
Nuanceren!!!
We hebben, zoals ieder koppel natuurlijk ook onze kleine probleempjes, maar die lossen we wel op.
Gisteravond vond ik het bijvoorbeeld nogal tactloos van haar dat ze ineens een heel verhaal over haar werk begon af te steken net toen het sport begon.
Ze verwachtte van mij dat ik geïnteresseerd was in al hetgeen haar collega’s die dag hadden uitgespookt en al het onrecht dat de baas hen weer eens had aangedaan, terwijl ik enkel het voetbal ongehinderd wou bekijken en niet alleen maar vanuit mijn ooghoeken.
Dat was overigens niet de eerste keer. Haar brein springt als bij toverslag op actief wanneer er een groen veld op het scherm verschijnt en haar mond volgt probleemloos haar hersenkronkels.
Ik niet, ik heb er eerlijk gezegd de pest in!
Oei!
Jan vond het gisteren weer eens nodig om de hele avond voor de buis te hangen.
Ik probeerde een moment te vinden om hem tot een ernstig, constructief gesprek te verleiden, maar het lukte me niet.
Er ZIJN gewoon geen geschikte momenten voor Jan! Tenzij ik een cursus snel-praten ga volgen en er al hetgeen ik te zeggen heb, kan uitgooien tijdens één reclameblok.
Maar dan moet ik hem natuurlijk wel naar de keuken volgen en doorpraten terwijl hij de inhoud van de ijskast inspecteert.
Ik zie hem tenminste toch zo nu en dan zijn dagboek ter hand nemen, dat is dan tenminste toch al iets.
Misschien lukt het hem beter om zijn gevoelens al schrijvend onder woorden te brengen.
Annie is boos op me.
Ze heeft opgemerkt dat ik tegenwoordig elke dag deodorant opdoe en dat het flesje aftershave dat al een paar maanden ongebruikt in mijn toiletkast stond op een paar weken tijd ineens bijna leeg is.
Ik zei dat ze blij zou moeten zijn dat ik eindelijk haar goeie raad naar mijn persoonlijke hygiëne toe opvolg, maar daar kwam enkel een grommend nasaal gesnuif op.
Annie kan behoorlijk rare geluiden produceren met dat reukorgaan van haar.
En zodra haar neus het overneemt gaat haar mond dicht.
Maar ik weet wel wat ze denkt, ze denkt dat ik het doe voor de “nieuwe”.
Sinds een maand of zo heb ik een vrouwelijke collega, sympathiek, goedlachs…
Ik had haar naam thuis wel al eens laten vallen, maar dat was nooit een probleem.
Tot vorige week zaterdag.
We liepen op de Meir en ik had er mijn volle aandacht voor nodig om de tegenliggers te proberen ontwijken en tegelijk in het oog te houden of Annie niet ineens voor een etalage stil was blijven staan.
Daardoor had ik Naomi niet gezien tot ze vlak vóór me stond en mijn naam zei.
En daardoor kwam het dat ik een beetje begon te blozen, omdat ik dus geschrokken was, dus.
Mijn wettelijke echtgenote scheurde haar blik weg van het uitstalraam en nam mijn nieuwe collega op met een taxerende blik die bij een doorwinterde veekoopman niet zou hebben misstaan.
Ik dacht even dat ze haar zou vragen de mond open te sperren zodat ze ook een grondig tandonderzoek zou kunnen verrichten, maar zo ver kwam het gelukkig niet.
Naomi schudde mijn eega enthousiast de hand en loog dat ze al veel over haar had gehoord.
Mijn echtgenote trok haar mond tot een pijnlijke horizontale lijn, die in de verste verte niet voor een glimlach kon doorgaan en vroeg me met haar ogen om uitleg.
Dit is Naomi, zei ik, mijn nieuwe collega, Naomi, weet je wel.
Mijn echtgenote wist het ineens inderdaad wel en ik hoopte dat het nu tot een soort van vrouwelijke “bonding” zou komen.
Je weet wel, het smeden van een soort band die ervoor zorgt dat vrouwen zich in een discussie altijd solidair opstellen tegen ons, het soort band dat ervoor zorgt dat ze altijd minstens met twee tegelijk naar het toilet gaan in openbare gelegenheden.
Maar Annie keek enkel zo mogelijk met nog méér nauwgezetheid naar de vrouw voor haar.
Het was duidelijk dat ze al haar vermoedens bevestigd zag.
Ik had mijn collega beschreven als grappig en aangenaam in de omgang, maar ik was er misschien vergeten bij vertellen dat Naomi een ongelooflijk sexy vrouw is die altijd korte jurkjes draagt, waardoor die benen waar geen enkele man zijn ogen kan vanaf houden, tenzij om ter afwisseling even naar haar borsten te kijken natuurlijk, extra in de verf worden gezet.
Annie siste me tien minuten later toe dat dat kleine stukje textiel dat door die borsten in kwestie omhoog werd gehouden bezwaarlijk nog “jurk” genoemd kon worden.
En toen ze me een half uur later met een boosaardige glimlach een belachelijk duur rokje showde, zei ik, zonder een krimp te geven, dat het haar uitstekend stond en dat ze het vooral moest kopen.
Ik vond dat haar dijen er te dik uitzagen in het voor haar véél te korte ding, en ik vond het uiteraard véél te duur, maar ik ben mijn leven nog niet moe.
Ik ga uiteraard niets over deze ontmoeting in mijn dagboek schrijven, want anders lijkt het alsof ik daar belang aan hecht en dat doe ik natuurlijk niet.
We zijn vandaag in Antwerpen gaan winkelen en al hou ik daar normaal niet zo erg van, ik vond het toch wel een leuke namiddag en mijn Annie heeft zich een leuk sexy rokje aangeschaft. En dat kan ik uiteraard alleen maar toejuichen.
NOT! Not, Not, Not, Not, Not, Not, Not, Not…NOT
Ik heb al afspraken bij de tandarts gehad die leuker bleken te zijn.
Jan is echt ongelooflijk!
Gisterenmiddag op de Meir botsten we per toeval op die ”nieuwe collega” van hem.
Naar wat ik van die Naomi had gehoord had ik me een gewone vrouw voorgesteld niet al te knap, maar aangenaam in de omgang en vooral grappig.
Maar wat ik vóór me zag was een del, pur sang, blond, hoge hakken, kort gerokt.
“Grappig” vond ik niet echt dat ze er uitzag.
Jan, DIE zag er grappig uit met zijn rooie kop!!!
Helemaal testosteron- struck stond hij haar aan te gapen!
Zo’n stomme trut!
Ik voelde mij compleet vernederd.
Het zal wel weer mijn mannelijk gebrek aan inlevingsvermogen zijn, maar dat van dat “vernederd” snap ik niet.
Ik heb een mooie collega en toevallig lopen we elkaar op de Meir tegen het lijf.
Big deal.
En ik vind trouwens dat Annie unfair is, Naomi is echt helemaal geen stomme trut, en ze is wél grappig, hilarisch soms zelfs.
Of is er dan misschien een wet die verbiedt dat knappe vrouwen grappig zouden zijn?
Ik denk dat ik mijn echtgenote hier toch eens ga op aanspreken!
Oeps.
Misschien kan ik er dan gelijk bij vertellen hoe ik weet wat zij over Naomi in haar dagboek heeft geschreven.
Mijn vriendin x (ik vermeld haar naam niet, je weet maar nooit wie dit dagboek ooit in handen krijgt) heeft een minnaar.
Ze heeft het me zelf verteld en ik stond als aan de grond genageld.
Ik had altijd gedacht dat zij en haar man Geoffrey een goed huwelijk hadden.
Dit moet ik toch even verwerken.
“Ooit” in handen krijgt? Ze moest eens weten.
Claudia heeft een minnaar?
Wow, nooit gedacht dat ze ’t in zich had.
Die sul van een Geoffrey zal er uiteraard totaal géén idee van hebben.
Komaan Annie: details graag!
Ik lees nu al 2 weken elke dag Annie’s dagboek en ben nog niets méér te weten gekomen over Claudia’s minnaar.
Ik weet nu wél alles over PMS en over menstruatieklachten.
Ik dacht dat ze d’er tegen mij al serieus wat over doormekkerde, maar wat ik hier allemaal moet lezen!!!
Ik dacht dat menstruatie iets was wat zich in de onmiddellijke periferie van de baarmoeder afspeelde, maar mijn Annie gaat er minder door zien en beter door ruiken.
Wat bij nader inzicht toch niet oninteressant om weten is, misschien dat ik in haar PMS periode best wat minder after shave opdoe vóór ik naar mijn werk vertrek.
Als ik tenminste maar eens zou kunnen onthouden wannéér ze ongesteld moet worden.
Misschien moet ik wel een kruisje op de kalender zetten of zo.
Hééé! Er staat al een kruisje!
Ik heb een lang gesprek met vriendin x gehad.
Ik moet toegeven dat ik het er eerst wat moeilijk mee had, maar ik kan haar alsmaar beter begrijpen.
Ze zegt dat haar huwelijk uitgeblust was, dat zij en y elkaar niets meer te vertellen hadden, dat de sex routineus geworden was, als je zoiets tenminste nog sex kunt noemen had ze er aan toegevoegd.
Ik kan er mij wel iets bij voorstellen.
Wij zitten de meeste avonden ook als twee zakken zand voor TV.
En van onze zondagmorgen-klassieker springen de vonken ook niet bepaald meer af.
Val nu dood! Hier is iemand aan het woord die het Guinnessbook record instant-hoofdpijn op haar rekening heeft staan en mij bij elke toenaderingspoging bezweert dat ze gedurende de werkweek te moe is voor sex en dat ze in bed alleen maar eens lekker geknuffeld wil worden.
Dat is alles wat ze wil, zegt ze, dát en haar ijskoude voeten tegen mij aandrukken natuurlijk.
Hou je nu maar vast aan je bretellen, Annietje mijn, here comes Romeo!
Wat had ik gezegd : hoofdpijn!
En wat schrijft ze erover in haar dagboek? NIETS!
Vriendin x en ik zijn naar de sauna geweest.
Ik vind dat ze er goed uitziet.
Ze heeft een paar kilo’s verloren en ze stráált gewoon.
Ik heb met rode oortjes naar haar verhalen zitten luisteren.
En ja, ik geef het toe, ook wel met een beetje afgunst.
Waar blijft MIJN Romeo?
OK nu heeft ze er toch écht zelf om gevraagd!
Is Jan nu helemaal gek geworden?
Ik zat gisteravond naar een film op vijf TV te kijken en ineens springt hij voor het scherm, spiernaakt en met een roos tussen zijn tanden.
En toen leek hij het ineens ook niet meer te weten.
Een pijnlijk moment staarden we elkaar aan en toen ben ik zijn kamerjas voor hem gaan halen, ik heb de roos in een vaasje gezet en heb hem een biertje uitgeschonken.
Hij zal het allemaal wel goed bedoeld hebben, zal ik maar denken.
Ik heb geprobeerd om Annie op een romantische manier te verrassen, maar ik ben bang dat het niet helemaal overgekomen is.
Niet helemaal overgekomen is het understatement van de dag!
Ik denk dat ik NOOIT meer een erectie krijg.
Vriendin x is in de war.
Wat is begonnen als een wild avontuur is uitgegroeid tot een echte verliefdheid.
Ik ben ook een beetje in de war.
Toen ik jong was, werd je verliefd op een man en dan had je sex met elkaar.
Nu ga je met iemand naar bed en “loop je het risico” verliefd te worden.
Zo drukte vriendin x het uit.
“Tja, je loopt nu eenmaal het risico om verliefd te worden.”
De sex was er nóg beter op geworden, zei ze, maar de tijd ertussen viel niet meer zo mee.
Verbazend dat je de tijd gaat opsplitsen in zones mét sex en (oninteressante) zones zonder.
Verbazend, en vermoeiend vermoed ik.
Ik kan me Claudia moeilijk voorstellen als een vrouw die constant sex heeft, en als ik het probeer doet het in elk geval niets voor mijn libido.
Maar ik hoop dat het brave mens er van geniet, bij die sul van een Geoffrey zal ze het in elk geval niet moeten zoeken, neem ik aan.
Hij is verzekeringsagent en hij praat ook zo.
Ik kan me bijna voorstellen dat hij haar tijdens een iets of wat moeilijker standje een ongevallenpolis probeert aan te smeren.
Geoffrey! Je zult er maar mee getrouwd zijn.
Maar ergens vind ik het toch wel sneu voor hem, dat hij niet ziet wat er onder zijn neus gebeurt.
Annie werkt te hard denk ik, ze heeft wallen onder de ogen en ik heb soms het gevoel dat ze ergens over zit te broeden.
Het zou best kunnen dat ze ook een paar kilootjes is kwijt geraakt.
Ik hoop maar dat ze niet ziek aan het worden is.
Ik heb Naomi over dat hele gedoe met die dagboeken verteld en ze heeft me de tip gegeven om regelmatig eens iets te schrijven waaruit blijkt dat ik me zorgen over Annie maak, dat ik nadenk over wat ze doet en waarom ze het doet en zo.
Naomi is echt helemaal niet het domme blondje waarvoor mijn vrouw haar aanziet.
Annie is trouwens helemaal niet ziek aan het worden, ze is in het geniep weer van die vermageringspillen aan het slikken.
Ze verbergt ze achter de oploskoffie en neemt er elke morgen eentje bij het ontbijt.
Ze is altijd een beetje chagrijnig als ze die dingen slikt, maar dat wil ze niet toegeven en daarom slikt ze ze stiekem.
Ik heb aan Naomi gevraagd of zij die spullen ook slikt, maar misschien had ik dat niet moeten doen, want voor de allereerste keer keek ze me vuil aan.
Of ik soms vond dat zij zoiets nodig had, beet ze me toe.
Ik wist niet dat Naomi’s ogen zelfs nóg mooier werden als ze kwaad is.
Ik heb er haar uiteraard van verzekerd dat ze een perfect figuur heeft.
Ze hééft trouwens ook een perfect figuur.
En ze heeft het vast en zeker niet nodig om dat te horen van zo’n sul als ik.
Of toch?
Om het goed te maken heb ik beloofd haar vrijdag een wijntje te zullen betalen.
Het is bij ons elke vrijdag casual-Friday-drink en ik had al lang gezegd dat ik daar toch eens heen zou moeten.
Casual Friday? Wat nu weer?
Nu die del bij hem werkt wil hij ineens wél “een wit wijntje staan sippen schouder aan schouder met de chef”.
Naar eigen zeggen zag hij die nochtans sowieso al véél te véél tijdens de kantooruren.
Waar is de: dan liever een frisse pint bij Tante Laura, met “de mannen” gebleven!
Er mankeert echt niets aan MIJN geheugen als hij dat soms zou denken.
Maar, weet je, hij doet maar!
Goed, zo te zien maakt ze er niet echt een punt van.
“Hij doet maar.” is goed genoeg voor mij.
Met “Hij doet maar.” kan ik leven.
Ik had echt zin om vanavond een bloemetje voor Annie mee naar huis te nemen, maar ik heb het niet gedaan omdat ik bang was dat ze anders zou gaan denken dat ik iets goed te maken heb, en ik héb helemaal niets goed te maken.
Ik wou haar gewoon maar eens verrassen met een bosje tulpen of zo.
Soms WOU ik gewoon dat ze mijn dagboek las!
Vriendin x is in alle staten.
Ze weet niet meer of ze nog van haar man houdt.
Ze weet wel dat ze stapel is op haar minnaar.
Ze denkt dat het enkel loyaliteit is wat er haar van weerhoudt thuis weg te gaan.
Ze weet niet of loyaliteit voldoende is.
Ze weet natuurlijk ook niet of de passie zal blijven duren, maar ze weet nog niet dat ze dat niet weet.
Ik weet het wel. Ik bedoel niet dat ik weet of ze zal blijven duren, maar wel dat je dat nooit kunt weten.
Kan de aantrekkingskracht tussen twee mensen zo groot blijven dat haar huid na 20 jaar nog steeds zindert als hij ze met tedere vingertoppen aanraakt?
Ze vraagt mij om goeie raad. Ik heb er geen.
Zinderen? Is dat wel een echt woord? Ik kan er mij in elk geval niets bij voorstellen. Mijn Annie zou toch ‘ns een keertje minder vaak de Flair moeten lezen vind ik.
Waarom vragen ze mij niet om advies?
Ik zou het anders wél weten.
Niet doen!
Een buitenechtelijke relatie, begin er niet aan!
Ook al is Naomi noch zo’n sexy ding, ook al geeft ze me tegenwoordig kleine speelse signaaltjes, waaruit ik haast wel moet uit opmaken dat ik misschien toch wel een kans maak…
Er kunnen alleen maar vodden van komen.
Alle mannen dromen van vrijblijvende sex, maar vrijblijvende sex bestaat niet.
Ik vind trouw binnen een huwelijk belangrijk.
Ik wil dat Annie weet dat ze altijd op mij kan rekenen en ik weet dat zij mij ook nooit zal bedriegen.
Nee, echt, dit meen ik.
Annie heeft al een week niets meer in haar dagboek geschreven en ik evenmin.
Ik herlees mijn laatste twee zinnen en ik vind geen vervolg.
Naomi geeft mij alsmaar duidelijker signalen,we hebben geen enkel gesprek meer zónder dubbele bodem.
Haar lach blijft er spontaan uitzien, maar bij mij klinkt het alsmaar krampachtiger.
Naomi ademt sex uit, uit al haar poriën.
Naomi is het meest goddelijke, begerenswaardige wezen dat ik ooit gezien heb en Naomi flirt met mij.
Het is verdomd lastig je op je werk te blijven concentreren als je een milde vorm van priapisme aan het ontwikkelen bent.
Er is niets ter wereld wat ik liever zou doen dan dat kleine, nietige jurkje met mijn tanden van haar lijf scheuren en haar hier ter plekke, bovenop mijn bureau, te nemen.
Maar ik weet dat het niet zal doen.
Ik zal het dromen, ik zal het wensen, ik zal het vóór me zien wanneer ik voor de laatste keer de ogen sluit.
Maar ik zal het niet doen.
Omdat ik teveel van Annie houd of omdat ik een lafaard ben, een sul, die niet dúrft te leven.
Ik weet het zelf niet eens.
Plichtsgetrouw lees ik nog steeds Annie’s dagboek en plichtsgetrouw vul ik het mijne met wat oppervlakkig gewauwel. We moeten dit drie maanden vol zien te houden, dan pas komt de evaluatie.
Claudia doet wat ik niet durf.
Claudia geniet, Claudia lééft.
Ook Naomi is doorgegaan met leven, ze heeft zich zelfs vorige week verloofd met iemand die ze via een dating site heeft leren kennen.
Ze zei me dat ze écht aan settelen toe was en keek me hierbij met broedse ogen aan.
Ik heb moordneigingen, zelfmoordneigingen en braakneigingen.
Annie vroeg me gisterenmorgen toen ik met mijn kop boven het toilet hing of ik soms zwanger was.
Annie pikt er anders wél haar momenten uit om humoristisch te proberen zijn.
Ik voel mezelf een sul en ben intussen zo laag gevallen dat ik me wentel in leedvermaak omdat Claudia’s echtgenoot zo mogelijk een nog grotere sul is, omdat die het allemaal niet zag gebeuren, en rustig elke dag met z’n sloffen aan voor TV zat, wachtend op zijn vrouw die alweer een avondje was gaan stappen samen met de vriendinnen, samen met mijn vrouw.
Alibi’s zijn belangrijk als je vreemd wil gaan.
De drie maanden zijn om.
Morgen hebben we onze evaluatiesessie en de huwelijkscoach heeft ons gevraagd onze dagboeken mee te brengen.
Jan weet nog niet dat het de bedoeling is dat we die ruilen en elk apart in een kamertje gaan zitten lezen wat de ander heeft geschreven.
Ik ben benieuwd.
Annie neemt mijn dagboek van me aan en overhandigt me een schriftje dat ik voor het eerst zie.
Ze kijkt me aan met die bemoedigende blik, die ik wel eens heb gezien bij moeders die hun kroost zindelijk willen maken en het kleine kereltje voor het eerst op een potje duwen, hopend dat hij instant zijn ding zal gaan doen.
Wanneer ik me in een ongemakkelijke stoel in een klein wachtkamertje installeer en het eerste blad omsla besef ik pas dat er iets onherroepelijk fout zit en ik lees:
Beste Jan, het dagboek dat jij al die tijd stiekem hebt gelezen was uiteraard niet het échte, of dacht je nu echt dat ik zo stom zou zijn om dat te “verbergen” in de keukenlade waarin ook de flessenopener ligt?
Ik heb voorgesteld om relatietherapie te gaan volgen met jou omdat ik je nog een kans wou geven. Of omdat ik mezelf wou wijsmaken dat ik je nog een kans wou geven?
Ik hoopte of ik vreesde dat ik in jouw dagboek zou lezen dat je echt van me houdt, ik wilde dat je mij zou verrassen, of net niet… Ik ben er zelf nog niet helemaal uit.
Maar elke keer opnieuw werd ik teleurgesteld.
Ja… uiteraard heb ik je dagboek “gevonden”, ik ben degene die het huis poetst en de was en de plas doet, weet je wel, en je sokkenla is dus niet bepaald terra incognito voor mij.
Omdat ik jou door en door ken, kon ik ook tussen de regels lezen en dus weet ik dat je een affaire met Naomi hebt gehad. Ik kan je nu met mijn hand op mijn hart zeggen: ik ben blij voor jou.
En ik ben ook eigenlijk blij voor mij, want nu hoef ik tenminste geen schuldgevoelens meer te hebben.
Want ik wil bij je weg, Jan.
Geoffrey is de man van mijn leven, daar ben ik nu zeker van, hij is mijn soulmate, mijn andere helft… én hij laat mijn huid zinderen, Jan.
Zelf is hij al 6 maanden geleden van Claudia weggegaan, maar heeft mij de nodige tijd gegeven…
Ik kan niet verder lezen, ik sluit de ogen en tast naar de scène waarin ik Naomi’s bekken met twee stevige handen het mijne aandruk. Ik zoek de scène waar ik haar jurkje met mijn tanden van haar lichaam scheur. Ik wil mezelf ingraven tussen haar denkbeeldige borsten
Maar ik vind niets….
Ik kan me zelfs haar lach niet meer herinneren.
Over angsthazen en bibberkonijnen
Noem me gerust een lafaard, want ik ben er van overtuigd dat lafaards langer leven.
Al beschouw ik mezelf toch liever als iemand met een rijke fantasie, die misschien een tikkeltje teveel naar het morbide nijgt.
Ik vind het namelijk helemaal niet moeilijk mij de ergste scenario’s levendig voor te stellen.
In een vliegtuig, wanneer de stewardessen bevallig de nooduitgangen staan aan te wijzen met een french gemanicuurd vingertje en een elegant rood fluitje tussen de dito gestifte lippen stoppen om duidelijk te maken hoe het zwemvest kan worden opgepompt zit ik altijd angstvallig de hele procedure te volgen, want ik wil het uiteraard wél allemaal weten, voor straks…
De rest van het vliegtuig is intussen al verdiept in een boek of kijkt uit het raam of deelt een eerste snoepje uit aan een jengelende kleuter.
Een enkeling zit er even on-ontspannen bij als ik, maar het blijkt dan meestal dat die gewoon zijn plas zit op te houden tot het vliegtuig hoog genoeg is en hij eindelijk van het toilet gebruik kan maken.
Tijdens de vlucht volg ik de beweging en de geluiden van het toestel alsof ik een terminale patiënt aan het monitoren ben en zend ik de piloot zoveel mogelijk steun via mentale golven omdat ik ervan overtuigd ben dat er toch IEMAND het toestel in de lucht moeten houden.
Ik applaudisseer al lang niet meer mee wanneer de piloot een geslaagde landing maakt omdat mijn echtgenoot mij dan altijd een beetje meewarig zat aan te kijken.
Maar in mijn hoofd doe ik het nog wél en ook een heel klein beetje met één vingertje op mijn stoelleuning.
Ik ben altijd blij dat ik aan de grond sta en ik zou uiteraard de luchtgoden niet willen verzoeken door te doen alsof me dat helemaal niet kan schelen, vandaar dus mijn inwendige juichuitingen.
Bij een korte trip, slik ik een kalmeringspilletje vòòr het opstijgen en neem een aperitiefje.
Ik weet niet of het helpt want ik ben nog steeds zenuwachtig, maar ik wil het risico niet nemen er géén te nemen en dan te ontdekken dat het nog veel erger kan.
Vòòr het eten neem ik een tweede aperitiefje en erbij een klein flesje wijn.
(Wanneer ik aan het eten ben reken ik erop dat de piloot het wel alleen afkan.)
Bij een lange trip neem ik een kalmeringspil én een slaappil en slaag er soms in al onder zeil te zijn terwijl we nog steeds over de startbaan bulderen.
Nuchter én wakker vliegen is iets waar ik nog niet wil aan denken!
Uiteraard beperken mijn angsten zich niet alleen tot vliegreizen, ook boten scoren redelijk goed.
En ik ben ervan overtuigd dat niemand zich de locatie van de reddingssloepen zo feilloos in zijn hoofd prent als ik.
Ik heb een flair voor het onmiddellijk spotten van levensreddende dingen.
In vind in een warenhuis vlugger de nooduitgang dan de 10 glazen deuren die gewoon op straat uitgeven.
Stilaan vind ik het zo goed als onmogelijk om nog een fatsoenlijke reisbestemming te vinden.
Ik sleep 30 kg reisbrochures aan met een ontiegelijk aantal mogelijkheden en ik slaag erin ze één voor één te elimineren.
Grote steden en moslimlanden zijn voor het moment echt wel uit den boze.
En al besef ik natuurlijk wel dat de mensen in Londen weer gewoon met de metro naar hun werk rijden, zij hebben geen keuze, maar ik wél en ik wil nu NIET in de tube.
Mijn echtgenoot heeft een meer filosofische benadering.
Als er pas een aanslag geweest is dan is er extra veel beveiliging en hoef je je geen zorgen te maken, zegt hij.
Alsof dat helpt!
Ik maak mij nu nog véél meer zorgen en niet meer alleen over de plaatsen waar er al wél een aanslag is geweest.
Want als er ergens méér beveiliging komt, betekent dat dat er op een andere plaats minder is.
Dat lijkt me wiskundig niet weerlegbaar.
En dan heb je ook nog de natuurrampen, tsunami’s, orkanen..
Deze planeet heeft echt wel een paar azen achter de hand om de wezens die op zijn schors lopen te teisteren.
Durf ik nu nog wel ooit naar Thailand?
En is de marge van 3 maanden die ik bereken om in de Caraïben niet in het orkaanseizoen te belanden wel voldoende?
In sommige Zuid-Amerikaanse landen worden de hotels bewaakt door gewapende wachten vanwege de criminaliteit.
Niet-Latino’s leven er in ghetto’s, beschermd door hekkens die onder hoogspanning staan.
In Costa Rica moet je opletten om niet gebeten te worden door giftige slangen terwijl je opzij stapt voor de enorme tarantula’s…
Resistente malariamuggen rukken op…
Maar blijft dit bibberkonijn nu dus voortaan thuis?
Welnee, omdat ik al vaak ondervonden heb dat alles er veel gevaarlijker uitziet van op afstand.
Ik zal wel nooit een held worden, maar toen er in Kenia bij volle maan olifanten kwamen grazen vlak bij de omheining van onze lodge liep ik op sandalen door het lange, vrijelijk door slangen gefrequenteerde gras, om dichter bij deze prachtige reuzen te kunnen zijn.
In Sri Lanka ging ik zelfs stilletjes achter een 3 m lange slang aan om ze beter te kunnen zien.
Op datzelfde eiland bezochten mijn echtgenoot en ik trouwens ook (zonder begeleiding) donkere tempels vol griezelige, monsterlijke goden, die de ingewanden uit hun menselijke prooien scheuren en er zich druipend van het bloed aan tegoed doen.
Er werden brandende kokosnoten geofferd en levende kippen. En half naakte mannen scandeerden heilige teksten rondom open vuren.
Maar toen we werden ingesloten door een groepje kinderen was het alleen maar omdat die dolgraag op de foto wilden.
En al waren die hindoe demonen dan wel afschuwelijk en angstaanjagend, ze waren van steen en ze bleven waar ze stonden.
Gisteren las ik in de krant een bizar verhaal over een vrouw, die bij donker op weg naar huis, dringend een plasje had moeten maken.
Ze had hiervoor een rustig Vlaams kerkhof uitgekozen en zich een beetje discreet tussen de graven verstopt.
Hierbij had ze blijkbaar met haar hand op een zerk steun gezocht, maar die kolossale steen was als in drijfzand weggezakt en zij was er onder terecht gekomen.
Men trof haar de volgende morgen dood aan. Ze was gestikt door het gewicht.
Misschien was die vrouw nog nooit in een vliegtuig gestapt, misschien had ze nog nooit een hindoegod van dichtbij gezien en ik ben er zo goed als zeker van dat ze nooit specifieke angsten had gekoesterd om ooit door een grafzerk te worden geveld.
Betekent dat nu dat ik nog méér schrik moet krijgen? Of juist minder?
Weet je, ik denk dat ik van nu af aan resoluut voor het tweede zal kiezen
Maar laat me wel eerst even afkloppen op blank hout, want al heb ik dan wel besloten dapper te zijn, ik wil in géén geval het lot uitdagen.
-
Recente
-
Links
-
Archief
- september 2009 (3)
- juli 2009 (1)
- mei 2009 (3)
- maart 2009 (3)
- februari 2009 (1)
- augustus 2008 (2)
- april 2008 (8)
-
Categorieën
-
RSS
Berichten RSS
RSS met reacties