In het zadel in Bahia.





Mijn echtgenoot klom met zijn 59 lentes en evenveel winters voor het eerst op de rug van een paard.
Waarschijnlijk zou hij zich zoiets thuis nooit in het hoofd hebben gehaald.
Maar we waren met vakantie in Brazilië en we logeerden bij vrienden voor wie een paard zo’n beetje een verlengstuk van hun eigen lichaam is.
Hij besteeg zijn viervoetig vehikel en ging tot mijn stomme verbazing relaxed in het zadel zitten.
No stress.
Ikzelf heb 2 decades geleden elke zaterdagnamiddag in de manege doorgebracht, maar ben na 3 jaar rijles tot de conclusie gekomen dat mijn angst recht evenredig toenam met mijn rijkunst, wat op zijn minst bizar te noemen valt.
Toch wou ik deze buitenkans niet missen, ik raapte mijn moed bijeen, stapte -zonder hulp, maar het waren dan ook vrij kleine paardjes – op de mij toegewezen zwangere merrie en besloot te gaan genieten.
Met genieten is het echter zo dat je er niet toe kunt gaan besluiten.
Je kunt besluiten om de afwas te gaan doen of om een filmpje te gaan zien, maar genieten op commando blijkt heel wat moeilijker te liggen.
Maar ik ging ervoor.
We waren nog maar even onderweg of we kregen instructies over hoe je een helling diende te nemen.
Naar voor leunen bij het klimmen en naar achter bij het naar beneden gaan.
Het paard sturen hoefde niet, het zou zelf zijn weg wel vinden tussen de rotsen.
Jos knikte en leunde.
Ik leunde ook, en loerde intussen uit mijn ooghoeken naar waar ik zou terecht komen mocht ik van het paard duikelen.
Ik duikelde niet van het paard, want 3 jaren rijles hadden uiteraard wel iets opgeleverd, maar mijn zelfvertrouwen nam daardoor niet toe.
Dat van Jos wel.
Hij hield de teugels losjes vast, vertrouwde 100% op zijn ros en sprak het brave beest toe zoals thuis de kat.
Daar snapte Falco uiteraard niets van (de kat trouwens ook niet), maar hij had genoeg kuddegeest om sowieso niet te willen afdwalen.
Wanneer hij te ver achter geraakte perste het dier er een klein drafje uit, spontaan, zonder ook maar enige aansporing van Jos’ benen.
En diens dappere berijder vond dat allemaal prima en genoot met volle teugen.
We stapten door een riviertje en door de mangroves en ik probeerde er niet aan te denken hoeveel slangen er tussen de takken wemelden, want uiteraard ging ik ervan uit dat ik daar en dan uit het zadel zou vliegen.
Maar ik vloog niet uit het zadel, want ja 3 jaren…
We passeerden een kudde wilde paarden en ik was ervan overtuigd dat mijn Donna met mij op haar rug, in frivole galop de groep zou gaan vergroten.
Maar dat deed ze niet.
We liepen over een wei met koeien en ik was ervan overtuigd dat mijn Donna zich zou herinneren dat onze gastheer de gewoonte heeft om die beesten eventjes in onvervalste cowboy-stijl te gaan opdrijven wanneer hij met meer ervaren ruiters op stap is.
Méér zelfs, ik was ervan overtuigd dat zij zich dit niet alleen zou herinneren, maar het daar en dan absoluut zou willen gaan overdoen.
Ikzelf kon me op dat moment niets voorstellen wat ik méér niet zou willen hebben gedaan dan dat.
We stapten over een gammel brugje en ik zag het paard vóór mij struikelen. Zijn linker achterpoot verdween even tussen de losliggende planken.
Ingrid, die het paard bereed gaf echter geen krimp en dus ik ook maar niet.
En zachtjesaan gleed het allemaal van me af en ik genoot.
Op de toppen van groene heuvels hielden we halt om het panorama te bewonderen, de weelde van de Bahiaanse sub-tropische natuur even te laten bezinken en het zweet van ons voorhoofd te vegen.
We bevonden ons in het Zuidelijk halfrond en dus waren we half januari terecht gekomen in het heetste van de zomer. Het was 34° in de schaduw, terwijl het thuis min 10° was.
Bahia is een van de 26 deelstaten van Brazilië, met als hoofdstad Salvador.
De inwoners zijn overwegend zwart, hun voorouders waren slaven en de welstand ligt hier lager dan in andere delen van Brazilië. Maar de Bahianen gaan door het leven met een soepel aanpassingsvermogen en een Afrikaanse joie de vivre.
Ze hebben voor elk van hun Afrikaanse Candomblé Goden braaf een Katholieke tegenhanger gezocht en vereren Oxalà nu in de persoon van O Senhor do Bonfim.
Naar het schijnt zelfs met de zegen van de paus.
Onze eindbestemming was een klein dorpje, met witte huisjes, versierd met pastelkleurtjes.
De Alentejo in Portugal leek heel even heel dichtbij.
Langs heuvelige kasseistraatjes klakten de ongeschoeide hoeven van onze viervoeters door de straten en onze kleine blijde intrede werd nauwlettend gadegeslagen door de inwoners die het leven rustig van op hun stoep zaten te bekijken.
Men zegt dat de inwoners van Bahia extra vroeg opstaan om langer niets te kunnen doen. Ik kan me er intussen wel iets bij voorstellen.
Ik voelde mij als een cowboy die zijn dorp binnenrijdt na weken lang in de prairie te hebben rondgezworven.
En bij gebrek aan oude bekenden groette ik iedereen die maar mijn richting uit wou kijken.
Bom dia, tudo bem?
Een oude vrouw antwoordde dat het absoluut goed met haar ging, God zij geloofd, en hoe het met mij ging.
Met mij ging het prima, het was zelfs nog zelden zo prima gegaan.
We bonden onze paarden vast aan een boom op het dorpsplein.
(Ik had nooit gedacht dat ik deze zin ooit zou neerschrijven)
En we gingen op zoek naar een saloon, of iets wat daar kon voor doorgaan.
In een piepklein cafeetje waar amper 5 stoelen konden staan genoten we van een ijskoud biertje.
Het eethuisje waar onze vrienden heen wilden was gesloten, maar een behulpzame man loodste ons naar een klein snackbarretje waar men ook wel iets voor ons in elkaar wou flansen.
De man wist echter van geen ophouden en putte zich zodanig uit in behulpzaamheid dat we hem bijna ook aan een boom hadden gebonden opdat hij nu eens eindelijk zou hebben opgehouden met ons tafeltje te boenen elke keer wij een glas optilden.
We hadden hem al op een biertje getrakteerd en hij hoopte allicht dat er méér in zat.
Toen ik hem vroeg om van ons een foto te maken staarde hij naar mijn fototoestel alsof hij er nog nooit één had gezien.
En ik kwam tot de ontnuchterende vaststelling dat hij dat effectief ook nog nooit had gedaan.
Jeff, die daar al twee jaar met deze mensen werkt zei dat velen van hen zelfs niet kunnen lezen of schrijven.
En dat werd even later bevestigd, toen wij nietsvermoedend een jonge man vroegen om een meningsverschil te beslechten en een woord op een affiche voor ons uit te spreken.
Het feit dat onze vrienden ginder met een groot bouwproject bezig zijn maakt hen niet alleen populair bij de burgemeester, die het belang van zijn stadje ziet toenemen, maar ook bij de bevolking, want de mensen vinden hierdoor eindelijk werk, en bovendien tegen een eerlijk loon.
In Cachoeira, het dorpje waar ze vlakbij wonen, komt pas sinds kort elke dag vers water uit de kraan. De watertoren van het bouwproject levert het gratis aan de inwoners.
Maar de vrouwen doen wel nog steeds de was en de vaat in de waterval op de rivier, terwijl hun kinderen om hen heen in het water spartelen.
We aten niet zo lekkere vettige gefrituurde bolletjes en heerlijke witte vis. Er werd een auto voor de deur geparkeerd, met de vensters open en de radio aan om ons van achtergrondmuziek te voorzien en het bier stroomde rijkelijk.
Op de terugweg stelde ik vast dat de cerveija mijn zelfvertrouwen enorm ten goede was gekomen. Gewoon wandelen ging mij ineens een beetje te traag en een verbaasde Donna werd al heel wat vaker in draf gezet.
Even nog dacht ik dat onze tocht toch nog fout ging aflopen, want toen ik achterom keek zag ik ineens Jos’ trouwe Falco zonder berijder aan de kant van de weg staan.
Met een klein hartje wendde ik mijn paard, maar al vlug bleek dat mijn echtgenoot gewoon een beetje last had van zijn maag, maar hij had zich dan ook hongerig op de vettige bolinhos gestort en er flink wat van naar binnen gewerkt.
Maar voor geen goud had hij deze tocht vroegtijdig willen afbreken en na een paar minuutjes rust klom hij met ongetemperd enthousiasme weer op zijn paard.
We vermoedden allebei dat we de dag erop niet uit bed zouden raken vanwege de stijve spieren, maar ook dat viel mee.
Om zes uur ’s ochtends lagen we alweer te dobberen in het zwembad, want de dagen zijn kort in Bahia en we wilden maximaal van het licht profiteren en van de nog relatief koele temperatuur.
En met onze ellebogen steunend op rand wezen we elkaar de heuvels aan waar we de dag ervoor met onze paarden waren opgereden en sindsdien praten we over Donna en de Falco als over oude vrienden.
De Amalfi kust
De Amalfi-kust is een petieterig stukje Italië op zo’n twee uur rijden vanuit Napels.
Maar wanneer je de naam in de mond neemt dan zie je grootse beelden:
de jet-set, relaxerend tegen een diepte van azuur , het rotsige panorama doorsneden met één enkele parasol-den,
film decors made in Positano,
Engelse cultuur-toeristen met zonnehoed en zakwoordenboek.
Ze boeken een room with a view en bestellen op een terrasje “Doeie espresso pur favorie.”
Het hééft iets!
Na drie dagen fascinerende cultuur in Pompeï en Herculaneum krulden we de Amalfi-kust naar beneden tot in Maria del Cantone, deelgemeente van Massa Lubrense.
Ons één-kamer appartement lag met zijn rug tegen de rots aangedrukt en had aan drie zijden grote terrassen en glazen terrasdeuren.
Zelfs vanuit bed had ik nog zicht op de eilanden der Sirenen.
Het verhaal wil dat deze schepsels, toen zij er niet in slaagden Odysseus te verleiden zich van pure frustratie in zee stortten en in rotsen veranderden.
Gezien het feit dat Odysseus in het totaal 20 jaar onderweg is geweest had een kort oponthoud aan deze schitterende kust er mijns inziens nog wel bij gekund, maar, wie ben ik om de keuzes van deze grote tragedie-held in twijfel te trekken?
De eilanden heten nu officieel li Galli, maar het uitzicht is er niet minder adembenemend door geworden.
Ik schoof mijn voeten onder mijn zitvlak en dat zitvlak in een makkelijke ligstoel en legde pro forma een boek op mijn schoot.
De buiten-jaccuzzi warmde op in de voorjaarszon…
Het perfecte geluk bestaat niet op deze wereld, maar zo nu en dan laat het ons toch toe een glimp van zijn gelaat op te vangen.
Mijn echtgenoot zat echter ijverig de reisgids te decoderen en liet mij weten dat we absoluut naar Positano moesten, en naar Amalfi, en naar Ravello…
Je kunt niet aan de Amalfi-kust verblijven en Amalfi niet bezoeken liet hij me een tikje verbeten weten.
Ik houd niet van bochtige auto-excursies en al zeker niet van de rijstijl van de Italianen, wiens derde oog hen in staat stelt tegenliggers te spotten die zich nog achter de bocht bevinden.
De reisgids beloofde ons schitterende uitzichten op de Galli eilanden, maar die zagen we dus ook al van op ons terras…
Géén van deze argumenten kon de halsstarrigheid van mijn echtgenoot echter ondermijnen en dus klikte ik mijn veiligheidsgordel vast en hield mijn vingers gekruist.
In Positano geraakten we bij het binnenrijden van de stad tegen alle verwachtingen in, de auto kwijt en we baanden ons te voet een weg naar beneden, naar het strand, langs gelateria’s, restaurants en kledingwinkeltjes, stemmig maar duur.
Het strand is een complete grap, een donkere rechthoek lavazand met zetels in militaire slagorde.
Het stadje, tegen de helling aangebouwd oogt pittoresk, maar na de obligate foto, blijven enkel nog de dure winkeltjes over.
We beklommen steile, maar rustiger trappenstraatjes tot we weer bij de auto waren en wurmden daarna ons (gelukkig piepkleine ) huurautootje, stapsgewijze langs de winkelstraat naar beneden en dan weer naar boven, richting Amalfi.
Mooie zichten onderweg: Check!
Kans om er even van te genieten: No way!
Er zijn géén parkeerplaatsen langs de weg.
Maar ook al zijn die er niet, kilometers vóór je Amalfi binnenrijdt staan overal auto’s tegen de rotswand aangekleefd, die in het beste geval ¼ van de smalle rijweg innemen.
De zenuwen gierden door mijn keel wanneer we de zoveelste toeristenbus kruisten in een bocht, terwijl er nog vlug even een Vespa tussendoor schoot.
We reden Amalfi in… en uit.
Het was absoluut onmogelijk onze auto ergens kwijt te raken.
Mega cruise schepen laten hun menselijke cargo leeglopen in de haven, maar wij moesten helaas doorrijden.
Ravello dan maar, de heuvels in.
De weg erheen is zo smal dat er een verkeerslicht is geïnstalleerd dat stijgend en dalend verkeer beurtelings toelaat.
Maar zo nu en dan sta je toch nog wel eens oog in oog met een tegenligger, die het rode licht louter als aanbeveling had geïnterpreteerd, een aanbeveling die hij verkoos niet te volgen.
Ravello zelf was een verademing.
De uitzichten waren prachtig en we kuierden in de beroemde tuin van de villa Ruffolo een in Arabisch-Normandische stijl gebouwd paleis . De piazza del duomo was een oase van rust en we verorberden er op een terrasje een Calzone, de naam deed pizza vermoeden, maar het smaakte naar doughnut.
Het was er echter zo gezellig dat ons dat zelfs niet eens kon schelen.
Maar Ravello is klein en het bestaat voornamelijk uit vijfsterrenhotels en hele dure keramiekwinkels, waar we niets kochten, zelfs niet het obligate muurtegeltje waar we op elke vakantie naar op zoek gaan om de collectie in de keuken aan te vullen.
En dus zaten we al veel te vlug weer in de wagen , homeward bound.
We misten de afslag, die ons via het binnenland weer naar huis moest brengen en zaten weer onherroepelijk in de rollercoaster naar Amalfi en Ravello en vandaar naar Sant’Agata, waar we een uur moesten wachten vóór het kleine supermarktje openging, het enige waar we ons in de buurt een beetje redelijk konden bevoorraden met elementaire zaken zoals Sambucca, wijn en olijven.
Maar ik wou absoluut wachten, want ik wou die avond “thuis” eten.
Ik wou een pasta-tje bijeengooien en dat op ons eigenste terras verorberen, in alle rust en kalmte, met zicht op de eilanden die ik in de loop van de dag enkel vanuit de auto had gezien en dan nog enkel vanuit mijn ooghoeken, omdat ik de blik niet durfde afwenden van de hectische drukte op de weg.
En tenzij mijn echtgenoot in dat kleine supermarktje ook een fles chloroform op de kop zou weten te tikken wist ik het wel zeker, voor mij geen auto-uitstapjes meer.
Het schiereilandje van Massa Lubrense is volledig doorkruist met (goed aangeduide) wandelpaden, die je van het ene schitterende panorama naar het andere brengen.
Toegegeven, het zijn kuitenbijtertjes, maar je loopt langs de rotskusten tussen de golf van Napels en die van Amalfi (de: due golfi, noemt men ze hier) en op een bepaald punt zie je aan de ene kant de eilanden van de Sirenen liggen terwijl je aan de andere kant Capri in zijn volle glorie kunt aanschouwen.
Adembenemend.
Zicht op deze twee baaien heb je trouwens ook van op het dak van het klooster “il Deserto”van Sant’Agata, dat voluit: “Sant’Agata de due golfi” heet.
Je belt aan en wordt binnengelaten in een klein kamertje.
Een kloosterzuster schuift een luikje van voor een getralied raampje en geeft je de sleutel die toegang geeft tot het trappenhuis.
Dat doet ze voor elke bezoeker opnieuw, en mét de glimlach.
Ongetwijfeld verwacht ze een dotatie, maar toch reageert ze bijna gegeneerd als je zegt dat je iets in de daarvoor bestemde box hebt achtergelaten.
Sereniteit is hier nog geen loos begrip.
Als ik jullie dan ook op basis van onze eigen bescheiden ervaring een inside tip mag geven:
als je écht wilt genieten van de schoonheid van de natuur van deze prachtige streek, van de grillige rotskusten en de prachtige uitzichten, ga dan wandelen.
Koop naderhand een welverdiend flesje koud bier in een buurtwinkeltje en geniet ervan op een bank naast de dorpskerk of eet een ijsje onder de bomen van een pleintje met zicht op Capri.
Negeer de dubbeldekker toeristenbus die een nanoseconde halt houdt (voor de foto) en zo heel even je eenzaamheid komt verstoren
En vooral, laat Amalfi liggen waar het ligt.
Het is een mythe, net als Atlantis, een stukje grond verzonken in de verbeelding van naïeve toeristen.
Bali 24/05/2007-10/06/2007
25/05/2007
Vanuit een lounge stoel kijk ik uit op vliegtuigen van Dragon air, China Eastern en air Japan.
Ik ben op de luchthaven van Hongkong.
De vlucht van Amsterdam met Cathay airlines bracht ons in 11,5 uur ter bestemming.
In de verte zie ik de zee en een paar kleine eilandjes.
We zijn vandaag 17 jaar getrouwd en ik had in mijn bagage een kaartje meegesmokkeld.
Ik wou dat ik van mijn echtgenoot hetzelfde kon zeggen, maar die was enkel met verstomming geslagen. Vergeten!
In de drukte van de laatste dagen kan ik daar wel een beetje begrip voor opbrengen, een beetje, want ik had het uiteraard nog veel drukker.
Mannen gooien een aantal shorts en een gezinsverpakking T-shirts in hun koffer, kwakken daar wat ondergoed en schoenen bovenop en klaar is Kees.
De toiletzak van de heer des huizes staat ten allen tijde gevuld klaar, dat kost hem dus slechts één greep.
De vrouw des huizes probeert voor elke gelegenheid de juiste outfit bijeen te denken.
De sportieve shorts, de korte rokjes, de sarongs, de nog aan te schaffen nieuwe sarongs moeten allemaal met een bijpassend topje kunnen worden gecombineerd.
De cosmeticakleurtjes moeten eveneens aan deze selectie worden aangepast, zo ook de petjes en de haarlinten.
Ik trek de streep bij nagellak.
Ik neem géén nagellak mee op reis, want ik wil véél tijd doorbrengen in het zwoele zwembad en de lauwe zee.
Mijn valies bevat verder ook nog:
De snorkelmaskers, een zaklamp, abalone (hét spel der spelen, voor tijdens het aperitief), een waslijn, waspoeder, een waszak, een verrekijker, paraplu’s, boeken (his and hers), cryptogrammenboekje, papier en pen- but of course!-, en alle mogelijke nuttige medicatie (vervaldatum vooraf gecheckt).
Ik heb pleisters mee, een spray tegen de muggen, kokosolie tegen de strandvlooien, zonnebrandcrème en after sun.
Ik heb zelfs steriele naalden en spuiten mee.
En uiteraard een king size doos tampons. Jet-lag wil de zaken nog wel eens in de war sturen.
We gaan naar Bali en Hongkong is enkel onze tussenstop.
Binnen twee uur vliegen we door naar Denpasar.
Het is hier 6 uur later dan thuis.
Ik heb daarnet een ontbijt van noedels gegeten toen mijn maag nog dacht dat het middernacht was.
Dankzij een slaappilletje heb ik toch een paar uurtjes min of meer kunnen slapen, maar ik wankelde toch half versuft en misselijk het vliegtuig uit en zit me nu gelukkig te prijzen dat ik deze zeer comfortabele ligstoel met zicht op de baai van Hongkong heb gevonden.
We hebben bij Neckermann Nederland een rondreis van een week geboekt (met privé chauffeur en gids) en daarna nog 10 dagen strandvakantie in Sanur.
Het zal allemaal wel te maken hebben met het historische verleden van de Nederlanders, maar het is héél makkelijk om naar Bali te vliegen vanuit schiphol.
Je kunt kiezen uit wel 5vluchten per week.
Bali is een klein eiland in het grote Indonesië dat vaak in combinatie wordt aangedaan met één of meer van zijn grote broers.
Maar ik wou niet island-hoppen, ik wou Bali zien, rustig op eigen maat.
Ik wou de Balinezen leren kennen.
En om dat te vergemakkelijken heb ik me een toeristenbasiswoordenschat van zo’n 250 woorden eigen gemaakt.
Waarbij ik uiteraard de meeste relevante dingen niet heb geschuwd.
“Bir dingin besar” moet elke rechtgeaarde Belg wel aan zijn verhitte lippen willen zetten: een grote, frisse pint.
En als je “satu lagi” vraagt krijg je er zelfs nog één.
Ik ken alle mogelijke begroetingsvormen en ik kan tellen en het menu grotendeels begrijpen en bestellen…
Over politiek of religie kan ik natuurlijk niet praten, al ken ik wel een pak namen van hindoegoden uit het hoofd.
Balinezen zijn zeer godsdienstig, letterlijk: ze dienen hun Goden, de hele dag door.
In tegenstelling tot de rest van Indonesiërs zijn het Hindoes.
En toch zijn ze tegelijk ook monotheïstisch.
De Balinezen geloven in Sanghyang Widi , een opperwezen dat nog boven Vishnu, Shiva en Brahma staat.
Ze bidden echter zelden rechtstreeks tot hun hoofdgod, maar doen dit onrechtstreeks, via de Goden, die in de bergen wonen of via de demonen die in de zee huizen.
Beide zijn even belangrijk, het kwade en het goede moet in evenwicht worden gehouden.
De doden worden gecremeerd, maar vaak niet onmiddellijk, want het kost handenvol geld.
Soms worden de overledenen dan ook eerst begraven en later, soms jaren later, weer opgegraven.
Maar een crematie moet er in elk geval komen, want enkel zo kan de ziel worden vrijgemaakt.
De Balinezen vinden dat ze geluk hebben, ze vinden dat ze in het paradijs wonen en ik vind het fijn om te reizen naar een land van gelukkige mensen.
Ik hoop veel van hen te zullen leren
Wanneer we in Denpasar landen zijn we zo’n 24 uur onderweg.
We vermijden de lange wachtrij bij de visum-aanvraag-balie, omdat we er al eentje hebben gehaald in de Indonesische ambassade, pikken onze koffers op en maken kennis met onze in prachtige sarong geklede Nederlands sprekende gids.
Ik scoor meteen heel hoge punten door begroeting en aangename kennismaking in het bahasa Indonesia af te haspelen en mezelf en mijn echtgenoot vlot in deze taal voor te stellen.
Dit is nu Bali.
Ik wil er direct een etiketje opkleven, maar toch ook weer niet, want de dingen zijn machtiger als je ze niet benoemt.
Tijd om uit het raam van onze auto te kijken is er nauwelijks, want onze lieve Nederlands-leergierige gids praat aan één stuk door.
Hij heeft een zalig accent dat je onmiddellijk aan Multatuli doet denken en mijmeren over “De stille kracht” van Louis Couperus.
Het Tjampuhan hotel in Ubud is ongelooflijk mooi.
Het is ingebouwd in een vallei en de verschillende houten paviljoentjes zijn in de tropische natuur ingebed.
Als je in het zwembad een rondje doet, zie je om je heen Crotons, diffenbachia’s, ficussen…allemaal planten die ik wel eens op mijn eigen vensterbank heb zien staan, soms wel niet echt lang.
Rond het zwembad zitten stenen kikkers en in de rotswand zijn apen gebeeldhouwd.
Het restaurant lijkt wel een paleis, met prachtige gebeeldhouwde reliëfs, het is aan één kant open zodat je de tropische vegetatie kunt zien en de geluiden horen die er uit opstijgen.
26/05/2007
We bezoeken een Balinees huis, dat er verrassend anders uitziet dan onze eigen huizen. Het is eigenlijk een open ruimte, met daarin verspreid een reeks overdekte platformen. Enkele zijn ommuurd, zoals de slaapplaats van de ouders, maar degene die dienen als altaar of zithoek, of kinderslaapplaats zijn dat niet.
En elk huis heeft zijn eigen tempelplaats.
Dit huis groot en mooi afgewerkt. Een gesculpteerde poort leidt naar een open plaats waaromheen een aantal schrijnen staan en gebeeldhouwde torentjes.
Elke dag begint met offergaven in de tempelruimte, maar ook op steentjes in de tuin vinden we een handje rijstkorrels.
Blijkbaar duiden deze stenen de plaats aan waar na de geboorte de placenta wordt begraven.
Aan de ene kant van het huis liggen stenen voor de jongetjes aan de andere voor de meisjes.
We vervolgen onze tocht naar een dorp waar de bouwstijl van de huizen nog meer traditioneel is (en minder luxueus).
Het dorp bestaat uit één lange glooiende straat, en elk huis heeft een stenen ingangspoort en een bamboedak van wel 30 cm dik.
Aan de ingangspoort hangt een bordje waarop de naam van de familie staat, en er staat verder ook nog op hoeveel kinderen er zijn.
Laki 2 perumpuan 1 betekent dat het gezin 2 zonen en 1 dochter telt.
Ik scoor nog steeds goed door de mensen in het Indonesisch te begroeten.
Het vraagt een beetje moeite, want men zegt hier niet gewoon goeie dag, maar goeie ochtend, goeie middag, goeie namiddag of goeie avond, al kan het informele “sampai jumpa” ook wel.
Er hangt een serene sfeer in het dorp en een stilte, die enkel wordt doorsneden door één van de alomtegenwoordige brommers.
Ik mag foto’s nemen van een vrouw die snoepballetjes in bamboebladeren zit te rollen en van een naar Balinese normen uitzonderlijk oud vrouwtje (75).
Een voorstelling van een Barong dans laat ons voelen dat we hier toch wel met een héél andere cultuur te maken hebben.
Het is eigenlijk eerder een gedanst toneel.
Twee kleurrijke vertellers houden het publiek de hele tijd op de hoogte van wat er zich op de scène afspeelt, maar wij hadden gelukkig een programma in het Nederlands.
De Barong is een soort mythisch dier dat het gevecht aangaat met Rangda, de heks.
Het kostuum van de Barong wordt gedragen door 2 mannen die het samen tot leven brengen.
En dat doen ze niet zonder humor, want het beest krabt zich met een achterpoot en laat zich door zijn vriend, de aap, ontvlooien.
De lelong danseressen zijn buitengewoon sierlijk en dansen niet alleen met hun voeten, maar ook met de vingers en zelfs met de ogen.
Maar die sierlijkheid krijgen ze natuurlijk niet voor niets, elk meisje leert vanaf zeer jonge leeftijd dansen, en hoe!
In Ubud zagen we tijdens onze avondwandeling een klas kleine meisjes die aan het oefenen waren met een zwaar korset om de frêle lijfjes gegord.(boven hun kleren!)
Lunchen doen we op frisse hoogte met uitzicht op de Batur vulkaan en het gelijknamige meer.
Het eten hier is heel lekker en dat vind ik eigenlijk wel een beetje verrassend, want de Balinezen hebben geen eet-cultuur.
’s Morgens maakt de vrouw des huizes een aantal gerechten klaar en de gezinsleden bedienen zich wanneer ze honger hebben.
Ze eten nooit samen en ze eten heel vlug.
Het mag een wonder eten dat ze het desalniettemin lekker proberen te maken.
Onderweg zien we iets wat op een betoging lijkt.
Iedereen draagt hetzelfde zwarte T-shirt met witte letters.
Het blijkt dat er gewoon de naam van hun dorp opstaat en ze zijn op weg naar een crematie.
In mijn reisgidsen had ik al gelezen dat het leven van de Balinezen helemaal met hun religie is verweven, maar één dag op Bali doet me de volle betekenis hiervan bevatten.
Morgen gaan we een aantal tempels bezoeken en we hebben specifieke kledinginstructies gekregen.
We zullen er ons aan houden.
Maar nu is het tijd om mijn mooie nieuwe zilveren armband en halsketting aan te doen en me om te kleden voor het diner.
Ubud is dé stad van de kunstenaars, wat had je gedacht dat ik hier zou zijn weggekomen zonder een artisanaal juweel of een mooi gesculpteerd houden beeld?
27/05/2007
Slapen gaat moeilijk, want de bedden zijn hard en de jet-lag laat zich een beetje gelden.
Maar de jungle geluiden die uit het gebladerte opstijgen peppen me (bijna) helemaal op.
Het lijkt wel alsof de bomen en de planten zelf een zacht zoemend geluid maken.
Bali ligt vlak onder de evenaar. Tropischer kan haast niet en ik geniet met volle teugen van deze zwoele ochtend.
De maan ligt op haar rug, hier kun je in de eerste-kwartier-stand geen “p” ontdekken.
Vandaag is het sarong dag.
Met mijn aankoop uit Sri Lanka, een T-shirt met mouwtjes en mijn haar in een knotje op het hoofd mag ik probleemloos binnen in de tempels.
Mijn echtgenoot krijgt twee keer een blauw doek om het middel geknoopt, want ook mannen dienen zich in aangepaste kledij bij de heilige plaatsen te vertonen.
Ligt het aan mij of staat het onze gids toch net iets beter?
We bezoeken eerst het Radja paleis (Puri Saren) in Ubud.
Het ziet er qua structuur exact hetzelfde uit als een gewoon huis: een open ruimte met meestal open paviljoenen op verhoogjes. Alleen staan op deze verhoogjes elegante Louis XIV meubelen en Chinese vazen en het houtwerk is goud geschilderd en rijkelijk versierd.
Het paleis is nog steeds bewoond, een oude vrouw, lid van de familie van de Radja kijkt ons lijzig aan en groet enkel onze gids.
In een prachtige tuin (nog steeds in Ubud) ligt het museum Puri Lukisan.
De schilderijen die er hangen wortelen allemaal in de Hindoe-mythologie. Slechts een zeldzame keer zie je een glimp van het dagelijkse leven.
We ondervinden ook hier weer dat in Bali alles godsdienst is.
Ik weet best wel één en ander over de Hindoegoden en ik wil ook altijd iets bijleren, maar na een tijdje begint mijn hoofd te tollen van alle namen en verhalen die onze gids enthousiast vertelt.
Bovendien kleeft mijn sarong door de hitte in die muffe vochtige zalen tegen mijn benen.
Ik wil eruit!
In de airco van de auto kom ik een beetje op mijn positieven.
Nu gaat de rit naar de olifantengrot: Gua Gajah, waarin een Ganeesha beeld (mijn favoriete Hindoegod) in staat en 3 donkere stenen fallussen, waar netjes een sarong omheen is geknoopt.
Het is nieuw voor ons: bijna elk beeld in Bali heeft een sarong omgeknoopt en vaak een bloem achter het oor. Louter en alleen: zum schön!
Men zet ter bescherming gruwelijke demonen bij de ingang van paleizen en tempels en dan maakt men ze”mooi”.
En bij zo’n beeld gaat dat dan nog nét, maar stiekem vind ik 3 aangeklede penissymbolen best wel een beetje grappig.
Ik durf het onze gids echter niet op te biechten, want die legt me geduldig en met een ongelooflijke serieux de symboliek uit van de 3 fallussen.
Behalve met een zwart-witte sarong zijn de stenen ook nog versierd met een lint in elk een andere kleur.
Wit voor de God van de wind, Shiva, rood voor de God van het vuur, Brahma en zwart voor Vishnoe, de God van het water (moest dat geen blauw zijn?)
Vervolgens gaan we kijken naar een heilig stenen reliëf van rond 1400, dat midden in de rijstvelden ligt, Yeh Puluh.
Er komt heel wat trappenwerk aan te pas en net als in de tuin van ons hotel zijn de treden erg hoog.
Een oud vrouwtje, een priesteres volgens onze gids, is een rituele offergave aan het verrichten en ze eist dat ik erbij kom. Ik doe dapper mee; vouw de handen en word met water besprenkeld. Maar wanneer ze mij wil laten drinken van het water dat ze waarschijnlijk even tevoren uit de rijstvelden heeft geschept trek ik de lijn.
Wel gaan we gedwee in op haar verzoek om een rupiaatje voor haar achter te laten, om nieuwe offertjes te kopen.
Hij zegt het zo mooi, onze gids: “offertjes”.
Vervolgens gaat het naar het gerechtsgebouw in Kertagosa waar honderden jaren recht werd gesproken.
Toen in 1908 het Klung Klung vorstendom werd ingenomen door de Nederlanders pleegde de hier residerende vorst zelfmoord.
Maar nu zijn onze noorderburen al terug welkom.
Het gerechtsgebouw, ook hier weer een open ruimte met verschillende paviljoenen is vooral bekend voor de plafondschilderingen.
De taferelen van hel en verdoemenis zijn even expliciet als die van Jeroen Bosch, maar ze zijn veel recenter.
En wat ik nog nergens had gelezen: ze zijn gewoon op eternit platen geschilderd!
Bij het museum staat er een traditioneel muziekinstrument (een soort van xylofoon) waar je even op kunt oefenen.
Het is de bedoeling om met het rechter en het linker hamertje dezelfde toon aan te slaan.
Voor het gemak van de toeristen staan er nummers op de bamboe pijpen.
5-5, 2-2 , 1-1
Het vergt heel wat concentratie, maar het klinkt prima.
De filmcamera van Jos registreert mijn kleine optreden.
We gaan lunchen met uitzicht op de meest fotogenieke rijstvelden ooit.
Dit is het plaatje dat ik in mijn hoofd had bij mijn eerste dagdromen over Bali!
Ik kan er niet genoeg van krijgen!!!!
Op de parkeerplaats waar onze auto staat krijg ik van een souvenirverkoopster een compliment over mijn sarong uit Sri Lanka. We hebben niets van haar gekocht, maar ze steekt toch de duim naar me op: Bagus.
Terima kasih bedankt ik glunderend.
We rijden langs prachtige landschappen richting Candidasa en ik probeer de gevaarlijke haarspeldbochten te negeren. Zolang onze chauffeur dat maar niet doet is er niets aan de hand.
In Bali rijdt men trouwens links en té traag verkeer wordt gewoon uit de weg getoeterd.
Onderweg bezoeken we een songket atelier.
In een duistere ruimte zitten een aantal meisjes achter een weefgetouw.
We denken allebei tegelijk aan de film “Daens”.
De meisjes jagen de schietspoel van de ene naar de andere kant en bedienen een houten pedaal met een blote voet. Zo weven ze draad na draad.
De draden op de spoelen zijn op voorhand geverfd in verschillende kleuren 2 cm rood 6 cm groen… en in de stof zien we geometrische figuren ontstaan. Ik snap er niets van.
Na een dag vol indrukken werk ik mijn dagboek bij in hotel Bagus in Candidasa, liggend op een strandpaviljoentje met een kussen in de rug en zicht op zee en laat de vermoeidheid van de dag rustig van me afglijden.
En ’s avonds genieten we van een barbecue aan het strand.
We blijven hier slechts één nacht, morgen rijden we naar Lovina.
28/05/2007
Onze eerste halte is Tenganan, hier wonen de Aga, de oorspronkelijke bevolking van Bali.
De Aga zijn ook Hindoes, maar zij vereren de God Indra als oppergod en net als in Indië zijn de koeien hier heilig en lopen ze vrij op straat.
Ze hebben long houses waar alle inwoners samen kunnen komen en als er een huis moet worden gebouwd dan doen de mannen dat allemaal samen. We zagen een tropische versie van de scène uit “Witness” waarin de Amish allen samen een grote schuur oprichten.
De Aga bewaren hun oorspronkelijke cultuur doordat normaal nooit iemand huwt buiten de eigen bevolkingsgroep.
Enkele tientallen jaren geleden leefden ze zelfs nog in volledige afzondering.
Maar nu weven ze dubbele ikats en kopiëren ze Balinese teksten op palmbladeren voor de toeristen en je betaalt inkomgeld bij de ingang van hun dorp.
Overal op Bali zie je kaasstolp-vormige manden met eronder een haan.
Zo ook hier. Maar in dit dorp waren er zelfs hanen die in fluo geel of roze geschilderd waren.
Deze beesten zijn vechthanen.
Twee jaar lang worden ze onder de stolp vetgemest.
Ze worden er enkel uitgehaald voor een massage door het baasje en we zagen een mand in een ondiep beekje staan, ter verkoeling van ’s haans pootjes.
Wanneer ze eindelijk de kooi mogen verlaten bindt men ze messcherpe sporen om en moeten ze vechten tegen een lotgenoot tot -minstens- één van beide kampioenen er dood bij neervalt.
De hanengevechten zijn gereglementeerd en slechts bij uitzonderlijke gelegenheden toegelaten.
Maar de Balinezen zijn gek op de gevechten en dus gebeurt het ook illegaal en er worden de nodige weddenschappen op afgesloten. Geen haan die er naar kraait.
We moeten vandaag een heel stuk met de auto afleggen, maar dat verveelt op geen enkel moment.
De omgeving is zó mooi.
Soms zou ik echter wel willen dat onze gids eens héél eventjes zijn mond hield.
De lieve jonge overlaadt ons niet alleen met een vracht van informatie over Bali, hij wil ook echt alles over België weten.
Dat laatste is soms wel eens een beetje confronterend.
Je bent het zo gewoon om alles wat je elke dag om je heen ziet als “normaal” te beschouwen dat het moeilijk wordt iets te beschrijven voor iemand met een totaal andere back ground.
Tetut was oprecht verbaasd toen bleek dat wij geen vulkaan hadden in België.
Waar haalden wij dan zand? Gewoon uit de grond? Géél zand, geen zwart?
Dat in een dorp niet iedereen, iedereen kent, is voor hem onbegrijpelijk, en dat de meeste mensen bij ons nagenoeg zonder te bidden en zonder ceremonies leven moet hij totaal waanzinnig hebben gevonden al is hij veel te beleefd om dat te zeggen.
Ik was blij dat ik tenminste “Kerstmis” naar voor kon schuiven, en ik had het over de oude Keltische traditie die de Christenen later hadden overgenomen en over het versieren van de boom. Ik had het maar niet over de Disney commercialisatie van het gebeuren.
Met zijn grote Balinese hart zei onze Tetut dat de Balinezen zowieso voor het welzijn van de hele wereld bidden, we moesten het ons niet al te erg aantrekken, we waren op die manier toch al een beetje “gedekt”.
In de rijstvelden langs de weg zien we ineens een boer die met twee koeien aan het ploegen is en dus stoppen we om even een wandelingetje te maken.
Het is een ongelooflijk prachtig beeld, de groene blank staande velden tegen de achtergrond van een vulkaan.
Maar het ploeteren in de modder is zwaar werk en even bedenk ik dat het misschien enkel in onze ogen idyllisch is.
De stralende lach van de boer die onder het werken geen moment van zijn gezicht wijkt, overtuigt me echter van het tegendeel.
Hij ziet er oprecht gelukkig uit, tevreden met het leven dat hij leidt.
Hij wil weten of wij in België met landbouwmachines werken.
Dat bevestigen wij en hij schudt meewarig het hoofd, het lijkt alsof hij zelfs een beetje medelijden heeft met de Belgische boeren.
Door dit oponthoud is onze gids even het noorden kwijt, hij is vergeten ons naar het waterpark van Tirtagangga te brengen; we moeten een stukje terugrijden.
Willen we het dan toch nog zien?
Tuurlijk willen we dat!
We maken een ontspannende wandeling in dit mooie park, met prachtige beelden en idyllische waterpartijen en bij de uitgang kan ik eindelijk mangoustines kopen.
In één van de vijvers mag gezwommen worden. Maar wanneer ik op de stapsteentjes van een andere wil wandelen houdt onze gids me tegen: dilarang, verboden.
Je moet het maar weten.
In het paleis van Karangsem ligt een grote vijver met in het midden ervan een zogeheten “drijvend” paviljoen.
Ook hier is de sfeer sereen en rustig.
Ons laatste bezoek voor vandaag is aan de pura Beji, gewijd aan de godin van de rijst, Dewi Sri.
Mijn echtgenoot moet alweer een sarong aan en dit keer hoort er ook een lint bij, dat door onze gids om hem heen wordt geknoopt.
Het vastknopen van het lint heeft een symbolische betekenis, zo worden de kwade geesten tegengehouden.
En wij, twee Europese stomkoppen reageren hier als uit één mond, en zeer voorspelbaar op met: leg er dan maar een flinke knoop in.
De tempel zou in de 15e eeuw gebouwd zijn, maar onze gids had geen verklaring voor twee reliëfs die er duidelijk naderhand aan toegevoegd waren.
Elk van beide stelde een blanke koloniaal mét tropenhelm voor die een soort van gitaar bespeelde. Een onwaarschijnlijke keuze in een Hindoetempel!
Lunchen doen we alweer op een prachtige locatie, in een mooie tuin op een heuvel met zicht op zee.
Er zijn maar twee tafeltjes bezet, maar we moeten toch 45 minuten wachten op onze bestelling.
Het kan ons geen barst schelen, het is hier koel door een zacht zeebriesje en de Bintang is lekker fris.
En de karang-vis die ze me tenslotte serveren smaakt overheerlijk.
Ons hotel in Lovina is ook weer prachtig.
Opnieuw zijn de kamers zeer ruim, paviljoentjes van één verdieping verspreid in een mooie tuin.
In Candidasa was onze badkamer gedeeltelijk in open lucht, hier is er een extra buiten douche. Leuk!
En uiteraard is er ook hier een grote hotel-tempel.
De zee zit vol koraal en zee-egels en dus hebben we onze baantjes getrokken in het lauwe zwembad en wachten met ongeduld op de zonsondergang die hier -volgens de boekjes- heel mooi moet zijn.
Spectaculair, is een beter woord.
Het kleurenpallet dat hier aan de hemel wordt getoverd terwijl de zon zachtjes wegzinkt achter een eilandje voor de kust is zo overweldigend dat je je bijna op een andere planeet waant.
Eén keer nog maar heb ik zulke luchten gezien: bij de zonsverduistering in Frankrijk in 1999.
We dineren aan het strand in een wit paviljoen, zittend op in wit linnen gedrapeerde stoelen, aan een tafel met een krisp wit tafelkleed, bij het licht van een flikkerend kaarsje. Kan het nog eleganter?
Naar Balinese normen is het hier véél te duur (bijna Belgische prijzen) en we zijn niet bereid elke dag zoveel te betalen, maar we trekken het ons nu even niet aan en genieten met volle teugen.
29/05/2007
We hebben vandaag maar een korte trip voor de boeg, we vertrekken pas tegen de middag en dus kunnen we hier nog even rustig genieten
Eens te meer doen we dat liggend op een dik kussen op het strandpaviljoentje van onze keuze.
Ik kan het niet laten en ga toch even -met flipflops- de zee in. Het water moet méér dan 30°C zijn. Zàlig.
Het regent heel hard onderweg naar Pemuteran.
Sommige brommerbestuurders dragen capes, anderen schuilen gewoon onder een afdakje aan de kant van de weg of onder een boom.
Dit is het droge seizoen, het zou nu niet mogen regenen, zegt onze gids, zo komt de rijstoogst in gevaar.
De rijstplantjes mogen immers alleen in het begin in het water staan.
Ook hier word je met de neus op de klimaatsverandering gedrukt.
Ons hotel in Pemuteran ligt aan een prachtig lava strand, hier kun je wél lange strandwandelingen maken, en dat doen we dan ook.
Het tropische groen steekt mooi af tegen het zwarte zand en de bergen komen tot vlakbij zee, het is hier heel mooi.
Perfecte timing!
We zijn pas 30 seconden geleden terug in onze kamer en er splasht alweer een tropische regenbui naar beneden.
We bekijken het allemaal van op een ligbank op ons terras.
Dit hotel is naar objectieve criteria het minst luxueuze van de 4, maar ik vind het zalig.
Ik houd van het hoge bed met een romantisch muskietengaas eromheen.
En ik ben wég van de bad”kamer”, die helemaal geen kamer is, het is een open ruimte die maar gedeeltelijk is overdekt
In een hoek onder de blote hemel, staat een vrouwenbeeld dat een bamboestengel in de handen houdt.
Uit die stengel komt koud en warm water, het is de meest originele douche die ik ooit heb gezien!
Je kunt hier op het strand eten aan lange houten tafels, de noedels zijn super lekker én goedkoop en we sluiten af met een brem (zoet rijstwijntje) genietend van het zilveren spel van de maan in de golven.
Het eco toerisme wordt hier sterk gepromoot, omdat het hotel vlakbij een erkend natuurgebied ligt, maar jammer genoeg valt de prijs van de aangeboden uitstapjes wat tegen.
Wij gaan geen 40 euro per persoon betalen voor een begeleide wandeling!
Ook de georganiseerde snorkeltours naar een nabij gelegen eilandje met een mooi koraalrif zijn duur, maar we proberen het morgen op eigen houtje wat goedkoper te regelen. We hebben onze eigen snorkelmaskers, onze chauffeur brengt ons naar het haventje waar de boten liggen, die erheen varen, dus dat moet wel lukken.
30/5/2007
Niet dus!
In Pemuteran is men bezig met een uniek project.
Om de schade aan de koraalriffen te herstellen heeft men hier een systeem ontwikkeld dat gebruik maakt van zwakstroom, die zou namelijk de groei van het koraal bevorderen.
Van op het strand lopen daarom elektrische leidingen in zee, naar kunstmatig aangelegde riffen.
Mijn echtgenoot wou het allemaal eens met eigen ogen gaan bekijken en ondanks het feit dat ik argumenteerde dat de zee veel te wild was, dat het te gevaarlijk was en dat we zowieso toch niets zouden zien door het opgewoelde zand, moest en zou er gesnorkeld worden en dus gingen we gisteravond snorkelen.
Het was effectief niet te doen, de golven waren veel te sterk voor mij en uiteraard was het water te troebel om ook maar iets te zien. Ik gaf het al snel op en kwam als een half verzopen kat de zee weer uit en Jos was er in geslaagd zijn wreef open te halen aan een scherpe rots. Het bloed was bijna niet te stelpen.
Er zit een diepe snee in, echt een lelijke wonde, zwemmen zit er de eerste dagen voor hem zeker niet meer in en dus valt het snorkeltochtje in het water (let vooral op de woordkeuze).
In plaats ervan gaan we dan maar wandelen, we verbinden zijn gekwetste voet zo goed mogelijk en ik zeg dat hij het tempo en de afstand moet bepalen.
Eerst gaat het een beetje moeizaam, maar mijn echtgenoot laat zich niet kennen en we wandelen 3,5 uur lang.
Mijn teleurstelling over het gemiste snorkeltochtje verbleekt al heel snel, want we lopen door heuvels van waar we een prachtig uitzicht op zee hebben en langs aarden wegeltjes die als een verbind-de-punten spelletje een Balinees dorp uittekenen.
De huizen staan midden in de natuur, ze hebben allemaal een tempel, een neerhof, met meestal slechts één varken en vaak ook een tv antenne in de tuin.
Het regent vriendelijke begroetingen.
En de huiseigenaars manen hun honden aan tot stilte of jagen ze gedienstig van achter onze hielen weg met een stok.
Een Balinese hond komt op gang als een motor die lang niet heeft gelopen.
Eerst volgen, als een soort van generale repetitie, een paar kuchjes, dan een paar schuchtere blafjes, maar eens de ietwat bangelijke viervoeters doorhebben dat het zaakje nog prima werkt is er geen houden meer aan.
Al zijn er natuurlijk ook die rustig in een schaduwrijke kuil liggen te liggen en zich hoogstens afvragen waar al dat geloop van die witte tweevoeters nu eigenlijk goed voor is.
Ik voer hier mini gesprekjes met de échte autochtonen, die enkel het Balinees en het bahasa Indonesia spreken.
Uiteraard hebben deze mensen nog nooit van België gehoord, maar dekat (dichtbij) of sebelah (naast) Belanda (Nederland) plaatst ons voor hen op de wereldkaart.
Jos wil ineens absoluut een sarong hebben voor de twee tempels die we morgen zullen aandoen en we gaan op zoek naar een winkeltje.
Aan de hoofdbaan vinden we een kruidenier die ook textielwaren verkoopt.
Er hangen verrassend veel mooie sarongs, maar Jos’ keuze is snel gemaakt. Hij had blijkbaar al bij voorbaat beslist dat het blauw moest worden.
Er hoort een knooplint bij dat echter (au au!) niet rond zijn buik raakt, maar hij krijgt er een feestelijk glanzend geel exemplaar voor in de plaats.
Ik sla er uiteraard ook eentje in en leer de verkoper op zijn verzoek een woordje Nederlands: dank u.
Ik ben er zeker van dat hij zich dat nog zal herinneren als de volgende keer een toerist zijn winkeltje aandoet.
Maar dat kan nog wel even duren, want we zijn hier in het weinig toeristische noordwesten.
We weten nog steeds niet hoeveel iets kan of mag kosten en dus weten we ook niet of we net een koopje hebben gedaan of veel te veel hebben betaald.
Nu ja, te veel, als men mij 8 euro vraagt voor twee sarongs, bied ik niet af.
Ik vermoed dat we in het zilveratelier wegdegelijk te veel betaalden en misschien ook wel voor onze houten lelong-danseres, maar het uiterst minutieuze houtsnijwerk zullen we volgens mij niet vinden in de souvenir shops van Sanur.
De zee is nog steeds redelijk wild en ik lig in een ligstoel op het lavastrand en wacht af.
Na een tijdje maak mezelf wijs dat de golven iets minder hoog zijn en ga mijn natte bikini van gisteren aantrekken om degene die ik nu aanheb tenminste droog te houden.
De luchtvochtigheid is heel hoog in Bali; een dag en een nacht in open lucht volstaan niet om dat spul droog te krijgen.
Maar de hitte is draaglijk.
Als je een beetje een inspanning doet druipt het zweet weliswaar van je af, maar de warmte zelf voelt niet benauwend aan.
En in de schaduw van een boom is het gewoon zalig, vooral als Shiva ook nog een licht briesje levert.
De zee is iets rustiger dan gisteren, maar ik zie nog steeds niets en stel mijn hoop dan maar op het rif in Sanur.
31/05/07
De laatste dag van onze rondreis.
Om half zeven zijn we al uit de veren, want er staat een lange rit op het programma
De wonde op Jos’ voet ziet er allesbehalve gezond uit.
We ontsmetten nochtans vaak en improviseerden een beschermend verband.
Geen enkele pleister die ik bij me had was groot genoeg en dus doet een dun maandverband dienst.
Het zal de zaak echter geen goed hebben gedaan dat mijn echtgenoot dat ding de eerste keer met de kleefstrip op de wonde had geplakt in plaats van met de zachte kant naar beneden.
Ik ben er niet helemaal gerust in. We zitten hier tenslotte in de tropen, een wonde geneest hier veel moeilijker dan bij ons.
We rijden naar de Pura Ulun Danu, alweer langsheen mooie rijstvelden.
Regelmatig houden we halt om er een foto van te nemen. We stoppen ook in de bergen om even te genieten van de prachtige vergezichten en langs de kant van de weg waar een aantal apenfamilies geduldig op de toeristen wachten.
Ze troepen samen rond een verkoper en we kopen een tros bananen voor ze, die ze heel doortastend uit onze handen rukken.
De Ulun Danu tempel ligt aan het gelijknamige heilige meer en stamt uit de 15e eeuw.
Hij is gewijd aan Dewi Danu, de godin van zeeën en meren.
Wanneer we er aan komen verlaat net een stoet van feestelijk uitgedoste mensen het comlex.
Ze hebben hun offergaven naar de tempel gebracht en op hun voorhoofd kleven rijstkorreltjes.
Ze glimlachen vriendelijk wanneer ik een foto van ze neem, maar vragen nieuwsgierig aan onze gids waarom Jos maar één sok draagt.
Ik vind het zelf ook een behoorlijk verrassende keuze, maar mijn echtgenoot heeft er dus voor gekozen om enkel zijn gekwetste voet in een sok te stoppen. Dan had hij tenminste één frisse voet, vond hij zelf.
Een bruin petje, een sportief rood T-shirt, een blauwe sarong, sandalen en één kous.
Hij wou persé op de foto en ik heb met veel plezier aan zijn verzoek voldaan.
We wandelen doorheen de mooie tuinen en ik ben blij te zien dat er een toilet is.
Balinezen moeten blijkbaar een hele dag niet naar het toilet, onze gids heeft er nog geen enkele keer aan gedacht om ons de gelegenheid te geven even een plasje te maken.
Bij het toilet staat een bordje:
Kleine boodschap 2000 rupia, grote boodschap 3000 rupia. Hillarisch!
Op een traditionele groenten- en fruitmarkt probeert men ons op een schandalige manier af te zetten.
Voor wat inheems fruit (een paar mangis, slangenhuidfruit en passievruchten) en wat kruiden worden de onderhandelingen gestart op 30 euro.
We betalen er tenslotte 5 en onze gids schrikt zich nog een hoedje.
Als men mij nog eens zo’n belachelijke startprijs noemt, stap ik gewoon op.
Ik wil best het dubbele betalen van een Balinees, maar ze moeten wel niet gek gaan doen.
De laatste halte van onze rondreis, de Tanah Lot tempel is echt de kers op de taart.
De tempel ligt heel decoratief op een rots in zee en is dan ook gewijd aan de God van de zee.
Hij is omgeven door schilderachtige zwarte falaisen.
Wanneer we ons klaar maken voor de terugtocht worden we eerst nog eens getrakteerd op een mooi plaatje.
We kunnen ook hier een offerstoet bewonderen.
Mooi geklede vrouwen dragen bloemen, fruit, rijst, koekjes, enz. op het hoofd.
Ze zullen bij de tempel wierook branden om contact met de Goden te maken en er voor hen de offermandjes met de bloemen en een beetje rijst achterlaten.
Maar de rest van de lekkernijen nemen de gelovigen terug mee. Ze beschouwen het voedsel nu als gezegend en houden er een soort van Balinese picknick mee.
En dan staan we, vóór we het goed en wel beseffen, ineens de hand van onze gids te schudden en vaarwels uit te wisselen.
Ik vertel onze chauffeur nog dat hij een sopir bagus is en hij glundert omdat ik zijn rijkunsten loof.
1/06/2007
Het hotel Puri Santrian in Sanur is heel mooi.
Het bestaat uit een aantal verschillende gebouwen in mooie tuinen ingeplant.
Onze kamer ligt op het gelijkvloers in de meest weelderige tuin en op 5 stappen van het rustige en zeer mooie zwembad.
Het wordt door demonen bewaakt en mythische beesten spuwen water.
De zee trekt bij eb kilometers terug en zwemmen is dan onmogelijk, maar in de plassen zie je zeesterren, zeekomkommers en kleine vissen.
Bij vloed komt ze bijna tot aan de promenade die langsheen de hele kust van Sanur loopt.
Bij laag water heeft het iets Normandisch vind ik, maar dan moet je wel de verkopers wegdenken die je voortdurend aanspreken als je langs wandelt.
Men wil hier weten vanwaar je komt: dimana?, waar je naartoe gaat:kemana?, maar eigenlijk nog het liefst wanneer je iets van hen zult kopen.
Als het niet vandaag is, dan morgen? besok?
Mungkin, antwoord ik, met “misschien” kun je niet fout gaan.
In de straat aan de voorzijde van het hotel heeft men ons deze morgen wel 50 keer in iets op wielen willen krijgen om ons te vervoeren naar waar dan ook.
In Bali mag een kind de grond niet raken vóór het 6 maanden oud is, omdat de aarde als onrein wordt beschouwd.
Het wordt tot die leeftijd altijd gedragen.
Ik begin te denken dat ze de toeristen hier ook een beetje als baby’s beschouwen.
Nadat we evenveel keer ook beleefd sarongs, rolex!uurwerken en andere prullaria hadden afgeslagen ging mijn gezicht pijn doen van het verkrampte glimlachten.
Maar ik heb er natuurlijk alle begrip voor deze mensen.
Na de terroristische aanslagen van 2002 en 2005 is het toerisme hier fel teruggelopen.
Iedereen vecht hier voor zijn bestaan en dan is het minste wat wij kunnen doen beleefd blijven.
Het helpt ook als je zegt dat je al een rondreis hebt gemaakt en al je souvenirs al hebt gekocht.
En zelfs mijn echtgenoot zegt intussen al vlot: jalan jalan om aan te geven dat wij écht gewoon maar willen wandelen.
We hebben kaartjes gekocht en geschreven en we zijn ze zelf in een postbus gaan stoppen.
(We hebben al twee keer een slechte ervaring gehad door ze aan de hotelreceptie af te geven, we willen er zeker van zijn dat ze deze keer wél zullen aankomen).
En we hebben betadine en verband ingeslagen, wat ze gelukkig in het lokale grootwarenhuis is voorraad hadden.
Hopelijk geneest de wonde aan Jos’ voet nu snel, want hij begint te popelen om even in het zwembad te duiken of te gaan snorkelen.
Maar dat heb ik hem voorlopig toch nog afgeraden, en het ziet er naar uit dat hij deze keer wijselijk besloten heeft om mijn advies wél op te volgen.
Ergens halverwege het tweede deel van onze vakantie (ik ben de tel kwijt)
De dagen slippen doorheen onze vingers.
We genieten met volle teugen van het zwoele klimaat.
We hebben onze vaste plek onder de bomen in “onze” tropische tuin en nomineerden onze lievelingsrestaurantjes.
We eten vaak op het strand, ‘s middags onder een boom en ’s avonds met zicht op de maan, die intussen vol is geworden.
We eten niet vaak in ons eigen hotel omdat de prijzen in de kleine restaurantjes in de buurt veel lager liggen.
Een grote pint kost hier 28.000 rupia (zo’n 3 euro) en bij Donald’s op het strand 12.500.
Zelfs de frisse rosé is daar betaalbaar.
Mama putu ligt helemaal aan het uiteinde van Sanur, maar het heeft geen gebrek aan klanten, want het is er lekker en goedkoop.
We hebben er al 3 keer hetzelfde gegeten omdat we het zo lekker vonden.
Ik ga bijna elke dag snorkelen en gisteren is Jos voor de eerste keer mee geweest.
Tot aan het rif geraak je niet, maar het beste moment om te snorkelen is als het water begint af te trekken, dan is het nog diep genoeg om te zwemmen boven de mooie gras- en wiervelden.
Ik heb toch al een twintigtal vissoorten gedetermineerd en ze wetenschappelijk totaal onverantwoorde namen gegeven als: fluolijntje, pastel of glasnaald.(Al ben ik er niet zeker van dat dat laatste niet effectief bestaat!)
Ik zag een rode zeeslak elegant over de bodem glijden en twee keer een wel 2 meter lange zeeslang.
De eerste keer zag ik ze omhoog kronkelen als uit de mand van een fakir en ze stak het kopje boven het ondiepe water.
De tweede keer zag ik er één glijden over de bodem, zo’n 2 meter onder mijn snorkelende echtgenoot, die zich hiervan heerlijk onbewust was.
Ik weet niet of die beesten gevaarlijk zijn, maar ik weet wel dat ze mijn hart héél wat sneller doen slaan.
We hebben al uren langs het strand gewandeld en zelfs al gefietst.
De -goeie- fietsten waar we op af stapten om te huren waren al gereserveerd zei men ons, maar de verhuurster had er nog achteraan een paar staan.
Ze stopte ons 2 aftandse mormels in de handen en ik weet nog steeds niet wat er ons van weerhield ze te weigeren.
Maar feit is, we deden het niet en ik viel 4 keer in panne onderweg.
De trappers draaiden soms ineens door en dan hielpen alleen een paar welgemikte schoppen om het euvel te verhelpen.
Ik heb in het Indonesisch gezegd dat ik niet gelukkig was met die slechte fiets, dat hij kapot was en dat ze hem moesten maken.
(Ik spreek nóg beter Indonesisch als ik boos ben)
Overbodig te zeggen dat de goeie fietsen er bij onze terugkomst nog steeds stonden als klanten-trekkers.
We trotseren elke dag opnieuw het uitgerekte : massàààààg? op het strand en het Transport?Maybe tomorrow? van de taxichauffeurs op straat, enkel gewapend met een vriendelijk: neen, dank u wel.
De lokale markt is een belevenis. De markt wordt gehouden in een donkere, niet echt uitnodigende overdekte hal, maar het aanbod is zeer uitgebreid: groenten en fruit, vis, vlees en allerlei kruidenierswaren.
Het ruikt er een beetje kruidig en een beetje muf en vooral zout en schurftige straathonden lopen je voor de voeten.
Uiteraard is er een markttempel waar de marskramers hun offers kunnen brengen en dat doen ze dan ook, vol overgave.
Hardy’s is makkelijk!
Dit grootwarenhuis heeft echt alles wat je nodig hebt, en het fruit is er kunstig uitgestald!
Wij kopen er enkel Brem voor ’s avonds en op de tweede en derde verdieping nog enkele souvenirs.
De kwaliteit van de sarongs is hier beter dan op straat en je wordt weliswaar ook hier omsingeld door een handvol verkoopsters tegelijk, maar deze blijven tenminste discreet staan wachten en geven je de kans om te voelen, te vergelijken en rustig je keuze te maken. Je kunt ook hier nog een beetje afbieden, maar niet meer zoveel.
In Pemuteran betaalden we, zonder onderhandelen, minder dan de helft.
In de kraampjes langs het strand en in de winkeltjes zie je vaak dingen die waarschijnlijk met schipladingen tegelijk worden ingevoerd om hier als authentiek Balinees aan de man gebracht te worden:
Stoffen van mindere kwaliteit, Egyptische motieven, Afrikaanse maskers…
De strandpromenade eindigt aan de ene kant bij een klein lavastrand en aan de andere aan een mangrove die jammer genoeg dagelijks van een ongelooflijke hoeveelheid rommel wordt voorzien via een er in uitmondende rivier.
Statige witte reigers waden er tussen plastic afval. Doodzonde!
Maar de vissen trekken het zich niet aan en dus de reigers ook niet.
7/06/2007
Vroeg uit de veren, want vandaag gaan we op jungle trekking.
Er zat gisteren een fax onder onze deur met instructies en aanbevelingen:
hoed, lange broek, lange mouwen, stevige gesloten schoenen.
Het kon glibberig worden, lazen we, en als het té steil werd moesten we gewoon op handen en voeten naar beneden schuiven.
En vooral gewoon door de riviertjes waden en zeker niet proberen op de veel te gladde rotsen te stappen.
Het werd me een beetje wit om de neus.
Maar we hadden al wel vaker een “avontuurlijke” uitstap geboekt en dus dachten we dat al die waarschuwingen zoals gewoonlijk wel zwaar overdreven zouden zijn.
Maar dat zijn ze blijkbaar niet.
We krijgen een rugzak met drinkwater en regenponcho’s en de twee gidsen waarmee we op pad zullen gaan kijken bedenkelijk naar onze voeten. Zijzelf dragen stevige rubberen laarzen.
Jos en ik hebben – héél onverstandig – voor wandelsandalen geopteerd.
Het probleem zijn de teken zeggen ze, maar het zal wel lukken.
Ik moet mijn voeten met tabak insmeren en daarna worden ze rijkelijk bespoten met een sterk insecticide.
Ik benijd Jos zijn sokken (hij heeft er nu wél twee aan).
Maar dan zie ik dat de gids zelfs zijn rubberen laarzen rijkelijk bespuit.
Huh? Ik wil het gewoon niet weten.
We hadden gedacht dat de tocht rustig zou beginnen langs de cacao- en koffieplantages, maar we zien van elks één boom en duiken onmiddellijk de jungle in.
Het pad dat we volgen is enkel als dusdanig herkenbaar door onze gidsen, en dan nog.
We lopen regelmatig verloren en wachten dan in spanning de uitslag af van het debat dat zich tussen beide experts ontspint.
Regelmatig komt de machete eraan te pas om een doorgang uit te hakken en als we het pad echt helemaal kwijt zijn moeten we gewoon de steile helling opklimmen.
Wanneer we zelfs maar heel even achterop raken, weten we niet meer welke richting de gidsen zijn uitgegaan zo dicht is de begroeiing.
De regen blijft in de boomkruinen hangen, maar beneden is toch alles nat en de grond is één roeste modder.
We glijden vaak meer dan we stappen en doen ons best om géén steun te nemen aan doornige takken en af te blijven dan de giftige bladeren die onze gidsen meestal weghakken en minstens duidelijk aanwijzen.
Het is héél zwaar.
Mijn broek kleeft aan mijn benen en ik kan met moeite de knieën buigen.
En om de 10 minuten is het teken-alarm.
Wanneer er iets verdachts aan onze voeten kleeft volgt een grondige inspectie en worden ze opnieuw bespoten.
Aanvankelijk laat de angst me geen moment los omdat ik uiteraard al van de ziekte van Lyme heb gehoord die door teken wordt overgebracht.
Omdat ik vermoed dat mijn echtgenoot daar nog niet van heeft gehoord en besluit ik echter te zwijgen tot na de wandeling.
Maar bij het afdalen van de berg kan ik enkel nog denken aan rechtop blijven, ik zie niet waar ik mijn voeten neerzet en het kan me ook niet meer schelen.
En ik ben dankbaar voor elke uitgestoken hand die me mijn evenwicht helpt bewaren.
Die van Jos voornamelijk, want in het takenpakket van onze gidsen zat dit blijkbaar niet inbegrepen.
Alleen als het echt héél erg werd schoten ze ter hulp.
We waden door riviertjes en stellen vast dat de rotsen die boven het water uitsteken inderdaad onbegaanbaar zijn.
In drie uur tijd nemen we één keer een korte pauze bij een riviertje.
Ik ga moeizaam zitten op één van die gladde rotsen, maar schiet als een haas weer overeind wanneer ik onze beide gidsen druk naar iets in het water zie gebaren.
Ik durf het niet onmiddellijk te vragen, maar verneem later dat het gewoon rivierkreeften waren geweest.
In het midden van de jungle horen we ineens een doffe klap.
Enkele meter verderop is een boom neergevallen.
De vraag of hij ook geluid zou hebben gemaakt als wij er niet waren geweest om het te horen, kan ik jammer genoeg nog steeds niet beantwoorden, maar nu deed hij het dus in elk geval wél.
Het is een beetje beangstigend en ik bekijk de woudreuzen rondom mij ineens behoorlijk argwanend.
Fysiek begin ik er stilaan een beetje door te zitten, maar ik hou mezelf voor dat dit a once in a life time experience is. Dit is de real stuff, dit is wat ik altijd al eens had willen doen.
Na drie uur komen we bij een mooie tempel het woud weer uit.
Wanneer we achterom kijken zien we al niet meer vanwaar we kwamen.
Het was prachtig, het was vreselijk, het was afzien, en ik zou het voor geen goud gemist willen hebben.
We stropen onze modderharnassen af en nemen een paar foto’s van de tempel, maar gaan er niet binnen omdat we geen sarong bijhebben.
Ze zijn hier trouwens wel héél kieskeurig over wie er al dan niet binnenmag:
Geen zwangere vrouwen, geen vrouwen wiens kinderen nog geen tanden hebben, geen kinderen die hun melktanden nog hebben, geen menstruerende vrouwen, niemand die onrein is door dood (wat dat ook moge betekenen), geen waanzinnigen, en geen mensen die niet behoorlijk gekleed zijn.
Dit houd je toch niet voor mogelijk?
We gaan lunchen in een openlucht restaurant, waar we schandalig worden afgezet voor de biertjes die we erbij drinken.
Ik vind het niet kunnen dat we hier méér betalen voor het bier alleen dan in Sanur voor de maaltijd erbij, maar ik laat het mijn stemming niet bederven.
Het eten is lekker en in de struiken fladderen kolibries en mooie vlinders.
Onze gids is een aanhanger van de leer van Krishna.
Hij wil ons illustreren dat zijn leer tolerant is en dat voor hem alle mensen gelijk zijn en maakt daarvoor van zijn papieren servet een paar proppen die de verschillende bevolkingsgroepen moeten voorstellen: Afrikanen, Europeanen, Balinezen…
Hij steekt de proppen in brand met een aansteker en ze vatten allemaal vuur.
Hij heeft zijn punt gemaakt, maar probeert nu het vuur te doven met een plastic zakje.
De chauffeur is uit heel ander hout gesneden, Johnny-hout.
Hij heeft highlights in zijn haar en bedient een set claxons (waaronder een politiesirene) als een eenmansorkest.
In de file haalt hij links in door met twee wielen op het trottoir te rijden.(vergeet niet dat ze hier links rijden.)
Op die manier kan hij twéé auto’s voorbijsteken.
Onze rudimentair uitgespoelde kleren liggen te drogen op het terras, maar ik ben bang dat ze tegen zondag niet droog zullen zijn en ik wil ze zeer zeker niet nat in onze koffer stoppen.
De eerste dag in Sanur overwogen we om een andere kamer te vragen omdat er in onze badkamer een zurige stank hing. Het leek wel of er iemand net gekotst had.
Gelukkig deden we dat niet, want het bleken onze eigen zwemspullen te zijn die zo stonken.
Omdat we ze in ons vorige hotel niet droog hadden gekregen hadden we ze in een plastic tas gestopt en dit was het resultaat.
Gelukkig had ik waspoeder meegebracht!
Voor vanavond hebben we een diner met dansvoorstelling geboekt.
Vóór we terug naar huis gaan willen we nog even genieten van de elegante lelong danseressen en de prachtige kostuums.
9/06/2007
Zoals te verwachten viel zijn de spieren in mijn dijen pijnlijk stijf doordat ik ze tijdens onze jungletrekking telkens moest forceren in die stugge natte broek.
Ik kan al twee dagen bijna geen trap meer op of af en de hoge borduren in onze straat zijn een marteling.
Wanneer ik nu tegen een taxichauffeur zeg dat ik liever wandel, verklaart die me waarschijnlijk -en niet helemaal ten onrechte- helemáál gek.
Zwemmen gaat nog wel prima en ik houd me aan mijn gewoonte om na het eten even te gaan snorkelen.
Dat had ik vandaag echter beter kunnen laten.
Ik voelde onder water prikkels als van brandnetels zelfs door mijn bikini heen en nu heb ik misschien wel honderd jeukende bulten. Ik ken dit gevoel, het zijn dezelfde kleine nijdige kwalletjes waarmee ik een paar jaar terug in Thailand ook al eens een aanvaring heb gehad.
In elk geval ga ik de zee niet meer in!
10/06/2007
Het zit erop!
We hebben nog een laatste lunch op het strand genomen en geklonken met een laatste bintang biertje.
De valiezen wachten in de hotellobby, we zijn er klaar voor.
We keren terug naar België met een schat aan herinneringen die we hopen te herbeleven met onze film, onze foto’s en met dit reisverhaal.
-
Recente
-
Links
-
Archief
- september 2009 (3)
- juli 2009 (1)
- mei 2009 (3)
- maart 2009 (3)
- februari 2009 (1)
- augustus 2008 (2)
- april 2008 (8)
-
Categorieën
-
RSS
Berichten RSS
RSS met reacties


