Toscanië
Alles is zacht in Toscanië, de heuvels, de kleuren, de wijn…
Het voelt altijd een beetje aan als thuiskomen.




Het straatje

HET STRAATJE
Héél lang gelden toen de dieren nog konden spreken , voerde ik soms urenlange gesprekken met de hond.
Al was hij eerder van het zwijgzame type , zodat het voornamelijk monologen werden.
Mijn moeder had hem vernoemd naar de enige hond ,wiens naam toe op ieders lippen lag: Lassie.
Maar aangezien het beest een rasechte Mechelse herder was ging hij zoals enigszins te verwachten viel nooit noemenswaardige gelijkenissen vertonen met de beroemde border-collie.
Lassie was zoals ik al zei geen groot prater, maar een zeer goed luisteraar, een kwaliteit die ik steeds ben blijven waarderen, ook in mensen.
Ik voelde hem in de gezinshiërarchie boven mij verheven omdat hij eerst at en minder straf kreeg, maar ook omdat hij er eerst was geweest.
Hij had bij mijn wieg gewaakt en zo het aureool van “grote beschermer” verdiend.
Ik heb me bij hem altijd veilig gevoeld, want iedereen was bang voor hem.
Helemaal aan het eind van het straatje net voor de wereld bijna ophield , woonde een heel dikke vrouw van wie ik meende te weten dat ze een zoon had.
En ik ben er bijna zeker van dat ze zelfs een man had , maar die zweefde onzichtbaar in haar omvangrijke schaduw.
Jaren hoorde ik haar 3 maal daags schreeuwen: Free, komen eten!
Maar op een dag hield ze daar om een onverklaarbare reden ineens mee op.
Ze was heel donker en ze rook naar oude vrouw en als ze je heel dicht tegen haar stijve zwarte schort trok over een blubberige boezem heen dan zag je de zwarte haartjes op haar bovenlip.
Haar haar is nooit grijs geworden, zelfs toen ze jaren later naar het “gesticht” vertrok was er nog geen lijntje in te bekennen.
Puur natuur nog steeds ,verzekerde ze iedereen die het horen wou.
Maandelijks hingen in haar tuin grote witte lappen en mijn moeder beweerde dat dit niet natuurlijk was voor een vrouw die de 70 naderde.
Maar Julia was trots op haar lappen en lachte de buurt uit.
Ik was bang van haar.
Ze probeerde me steeds zover te krijgen dat ik bij haar in de tuin bloemen ging plukken voor mama.
Maar meestal werd het een klein boeket , want hoe groot ook mijn verlangen naar een “echt”boeket om aan mama cadeau te kunnen doen en niet zo’n belabberde paardebloem of kort-stelige madeliefjes die er in hun confituurpotjes altijd een beetje zielig uitzagen, mijn angst kreeg steeds de bovenhand.
Julia had een heel venijnige manier om me te pesten.
Ik was 4 en ik wist perfect wie ik was en toen ze keer op keer mijn voornaam koppelde aan de meisjesnaam van mijn moeder schreeuwde ik en stampvoette, want ik wist ook toen al dat ik dat niet wou zijn: mijn moeders dochter.
Maar dus moest ik van mezelf natuurlijk wel telkens terug om een beetje boete te doen en als een bijtje aangetrokken door de weelderige kleuren ging ik opnieuw mijn offergaven kiezen, met een ingetrokken angeltje, dat trouwens toch nog te kort was om iemand te kunnen steken.
Als ik geluk had werd ik uitgenodigd door Julia , met de hond, de rechtstreekse buurvrouw van de eerste , die ook een mooie bloementuin had.
Deze Julia lachte vaak en als ze lachte kon je zien dat haar valse tanden een beetje aan de grote kant waren en het verhemelte onnatuurlijk roze ,maar vooral het feit dat àls ze lachte dat het dan niet om mij was maakte dat ik haar veel aardiger vond.
Maar ze had natuurlijk wel een hond en ze was er als de meeste hondenbezitters van overtuigd dat die van hààr niet beet, iets wat ik ten zeerste betwijfelde.
Julia met de hond was een kerkuil zei moeder, een transfomatie die zich waarschijnlijk alleen bij donker voltrok , want ik ,die vroeg naar bed moest heb het in ieder geval nooit gezien.
Of misschien dat Julia wel tijdens de mis in een vogel veranderde.
Want daar ging ze elke week heen en wij niet en uit de toon van moeder kon ik opmaken dat daar best wel rare dingen gebeurden.
En tenslotte is het allemaal goed en wel eventjes in een uil te veranderen, maar stel je voor dat je in een spin of een slang zou veranderen of dat je nooit meer terug mens zou worden.
In die tijd duurden de zomers nog minstens 9 maanden, waarna ze , voldragen, uiteenspatten in sneeuwlandschappen.
Dus zaten de oudere mensen het grootste deel van het jaar ’s avonds buiten op de stoep en sleepten hiervoor uit de keuken een stoel met chromé pootjes en formica zitting aan.
Soms lag er een zelfgehaakt kussentje op de zitting, met een heel dunne vulling die er door de jaren heen alleen maar dunner op werd en waarvan uiteindelijk alleen een tamelijk vies lapje haakwerk overbleef dat nog weinig aan het zitcomfort toevoegde.
Ik vond dat de zaligste momenten van de dag.
De contouren van de gezichten vervaagden, zodat niemand er nog uitzag om bang voor te zijn.
De stemmen klonken gedempt, gevallen met de laatste zonnestralen.
Ik koesterde de zeldzame dagen dat mijn ouders aan de avondgesprekken wilden deelnemen en ik niet vroeg naar bed werd gestuurd.
Maar zelfs vanuit mijn bed lag ik nog te luisteren naar het wiegende geluid van de stemmen , slechts onderbroken door een snerperige kreet van de stoelpoten wanneer die even over het oneffen voetpad verschoven.
Blijkbaar was de verantwoordelijkheid van de gemeente geëindigd bij de rijweg, want iedereen had voor zijn deur eigenhandig een mozaiek van min of meer bijeenpassende steentjes gelegd.
Elke dag werd het vuil ervan in de goot geveegd en dan zijdelings langs de stoep tot voor het huis van de buurvrouw, die het dan weer meenam tot het tenslotte in het rooster van het riool werd gekeerd.
Ik genoot ervan om naar dit ritueel te kijken en ik imiteerde het met een kleurrijke kleinere versie van de borstels die de dames hanteerden.
Dit deed ik achterin onze tuin waar een schuur stond met een oude voordeur erin en waarvoor mijn vader een betonvloertje had gegoten .En ik werd bij het vegen van mijn stoep aangemoedigd en bewonderd door een hele kolonie poppen die elk jaar met sinterklaas nog een stukje aangroeide.
Ik hield van mijn poppen.
Een beetje méér van de nieuwste uit vinyl die “echt haar” hadden dat ik kon kammen en een beetje minder van die uit hard plastic waar het haar alleen maar werd geïnsinueerd door een lichte verhevenheid en vaag kleurverschil.
Het meest hield ik van Oscar , die bij me sliep en die was vernoemd naar de visboer die elke vrijdag de zee tot voor onze deur bracht.
Maar ik hield niet van Mireille, die toevallig mijn naam droeg en heel vaak in de hoek moest staan omdat zij blijkbaar altijd iets verkeerds had gedaan.
Terwijl haar iets grotere , maar vrijwel identieke zuster nooit straf kreeg.
Toen later de grote revelatie “Barbie” op de markt kwam verlegde ik mijn aandacht naar het poppenhuis.
Ken was toen nog niet uitgevonden en zijn schrijnend lege plaats moest ingevuld worden door de enige jongenspop die ik naast Oscar nog had: Moeboejoe , een negerjongetje , die te groot was voor het huis.
Maar omdat ik al had gemerkt dat vaders toch meestal niet thuis zijn was dat niet zo erg.
De uithuizigheid van vaders was een thema dat zelfs werd verwerkt in een spelletje dat we later op school speelden en “huis”" heette , om niet te zeggen dat het infeite het enige thema was.
Want het spel kwam er op neer dat paren werden gevormd en dat dan de jongens wegvluchtten om op café te gaan zitten en wij ,de meisjes, holden er achteraan en probeerden ze terug naar huis te sleuren.
We maakten nooit ruzie over wie met wie een paar mocht vormen omdat het mooiste meisje gewoon de mooiste jongen kreeg.
Nicole had blauwe ogen en blonde vlechtjes , maar als zij ziek was kreeg ik Ronny.
Er was een hekje achteraan de tuin langswaar de hond werd uitgelaten ,en ik ook , maar jammer genoeg lang niet zo vaak.
Zo nu en dan mocht ik bij de andere kinderen in het veld spelen , maar als er nog niemand was moest ik de klus alleen klaren, want ik mocht hen niet gaan roepen.
Dus liet ik de hond los en riep hem dan héél luid terug in de hoop dat de kinderen mij wel zouden horen.
Jammer genoeg was de hond erg gehoorzaam en kon ik meestal maar één keer roepen.
En zo kwam het dat ze me vaak niet hoorden en dat ik langs de korenaren liep en lieveheersbeestjes verzamelde in lucifersdoosjes of ,als die er niet waren, kleine zwartgroene kevertjes die je op wilgen vond of als ik me er moedig genoeg voor voelde soldaatjes (want die kriebelden zo eng)
Soms hoorde ik hen dan lachen of zag ik een glimp van iemand die zich leek te verbergen in de gemeenschappelijke tuin die den hof werd genoemd en voor mij verboden terrein was en dan probeerde ik me groot en zichtbaar te maken.
En ’s avonds huilde ik omdat ik mijn kevertjes was vergeten bevrijden en de doosjes nu vol lijken staken.
In het straatje woonden een aantal mensen die allemaal familie van elkaar waren, grootmoeders, tantes, moeders en kinderen liepen bij elkaar in en uit met stukjes informatie, advies en taart.
Grootvaders , ooms, zonen en kleinzonen bouwden volières in diezelfde hof , waar ik geen toegang had.
Op straat begroeten ze je allemaal met een korte samenvatting van het weer, en een beschrijving van de lucht zo gedetailleerd dat ze je de moeite bespaarde zelf naar boven te kijken.
De appreciatie van dit weer hing louter van hun eigen gemoedstoestand af , maar liet desalniettemin geen tegenspraak toe.
Mijn favoriet uit deze familie was Romain, de stamoudste , die bij het krieken van de dag post vatte aan zijn voordeur en deze plek enkel verliet om te eten of te slapen.
Ik denk dat hij het weer bewaakte.
En ik denk ook dat hij net als Julia 1 oud en een beetje vies rook, vanwege zijn slierterige haar en de vettige pet die er steeds bovenop stond, maar ik ben nooit dicht genoeg bij hem gekomen om dit te verifiëren.
Romain is er nooit in geslaagd mijn naam ordentelijk uit te spreken, maar in tegenstelling tot Julia 1 deed hij dat niet om mij te pesten.
Ik denk dat hij gewoon te weinig tanden in zijn mond had om er alle medeklinkers uit te krijgen.
Toen het huisje waarin hij al 50 jaar woonde te koop werd gesteld is hij heel bleek geworden is gaan liggen en is dan gewoon gestorven.
Zijn vrouw heeft nog enkele maanden zijn plaats aan de voordeur overgenomen, maar toen de hamer definitief viel was ze nog niet dood en haar kinderen hebben haar naar een gesticht overgebracht omdat ze toch maar dement begon te worden.
Romain kreeg op het kerkhof dezelfde buur als hij in het straatje had gehad maar zijn graf was veel minder mooi.
Marcel , de duivenmelker rustte onder een marmeren tombe met een engel erbovenop en een heel droevige boodschap van zijn vrouw, die hem toch zo miste.
Maar moeder zei dat die vuile tang hem beter een beetje beter had behandeld terwijl hij nog leefde en hem niet zo vaak putje winter op zijn duivenkot doen overnachten en hem daardoor waarschijnlijk vroegtijdig naar zijn einde had geholpen.
De vuile tang heette Martha en ik herinner me van haar dat ze kleine voetjes had.
Niet dat me dat toen zo was opgevallen, maar ze zei het steeds tegen mij.
Ze zei : kijk Mireille, ik ben dan misschien wel een oude vrouw, maar ik heb nog altijd van die mooie kleine voetjes.
En dan keek ik ernaar en ze waren inderdaad wel klein, maar ze waren oud.
Maar veel erger vond ik het nog te kijken naar de voeten van Pauline, wiens vergroeide tenen helemaal naar boven kromden.
Ik denk dat dit kwam doordat ze zomer en winter blootsvoets liep en probeerde zo weinig mogelijk contact te maken met de grond.
Pauline had ook een tuin met veel mooie bloemen, waartussen ze als een kromme toverheks scharrelde, maar waar ik er nooit één van kreeg.
Ik heb moeten wachten tot ze dood was vooraleer Jules, haar man me een boeket pampasgras cadeau deed, wat van mama jammer genoeg heel vlug moest wegdoen want de hond was er allergisch aan zei ze.
Jules had meer geluk dan Marcel, hij had tenminste zijn vuile tang overleefd.
En om dat te vieren is hij nooit meer een dag nuchter geweest.
Naast ons woonde een zus van mijn vader, met wie mijn ouders officieel ruzie hadden.
Het was allemaal heel ernstig en heel volwassen en een ongeschreven beurtrol zorgde ervoor dat ze elkaar nooit tegenkwamen achteraan in de groententuin.
Het eerste gedeelte van de tuin was veilig, want dat was afgebakend met drie horizontaal boveneengeplaatste betonplaten , waarop scherven glas waren gemetseld, die de katten moesten ontmoedigen hun pootafdrukken achter te laten op onze proper geschilderde platen.
Als je op dit “koerke” zat had je altijd de illusie dat er een zwaar onweer dreigde ,want vader schilderde zijn platen met restjes verf van een carrossier.
Kwart-en halflege potten in diverse kleuren werden door hem gemengd en leverden steeds dezelfde onbestemde tint grijs-bruin op.
Maar achteraan was er enkel een draad die de hoven van elkaar scheidde.
En daar kon ik dus overheen hangen en proberen een glimp op te vangen van diegene die een tijdje mijn lievelingstante was geweest.
Mijn andere oom kwam soms bij haar op bezoek, maar nooit bij ons en dat vond ik jammer.
Maar nog veel jammerder vond ik het dat als ik mijn grootvader in haar tuin zag, dat die dan niet meer naar me toekwam om me mee te nemen om stekelbaarsjes te gaan vangen, of salamanders.
Of dat hij niet meer met mij naar de boomgaard ging om appels te stelen van de eigenaars, die toch rijk genoeg waren.
Mijn grootvader heeft me ook leren vloeken;ik kon prachtig vloeken in die tijd.
Maar niet lang nadat mijn grootmoeder was gestorven barstte dus de familie uiteen in twee kampen.
Mijn grootvader, zijn twee dochters en zijn andere zoon zaten in het ene kamp.
Papa en wij in het andere.
En mama was boos op me als ik ging “spioneren” of als ik zei dat ik weer vriendjes wou zijn met pépé.
Maar dat was waarschijnlijk omdat we toch al zo’n klein kamp hadden en omdat de ruzie er volledig door de schuld van de anderen was gekomen.
Op de hoek van de straat was een winkeltje en daar mocht ik soms alleen naartoe als moeder niet méér dan een paar artikels nodig had.
Maar ik was altijd zo opgewonden als de voordeur voor me openzwaaide dat ik er vaak in slaagde toch nog iets te vergeten of met iets verkeerds naar huis te komen.
Er woonde een heel oud vrouwtje in dat winkeltje: Jeanneke.
Haar huid was even grijs als haar haren en als de schort die ze droeg. Ze liep voorovergebogen door de reumatiek en zelfs haar vingers stonden ze er stijf van.
Ze frommelde de boerenboter in vetwerend papier dat moeilijk meegaf en als je niet oplette schoof het plakje in je boodschappentas er zo weer uit.
Het grootste schandaal dat ons straatje ooit heeft gezien was toen Jeanneke werd beroofd.
Een jonge man had haar een klap gegeven en was er met 200 fr vandoor gegaan.
We wisten allemaal wie hij was en niemand sprak nog ooit een woord met hem.
Maar hij kocht nu in andere winkels en werd dronken in café’s aan de andere kant van de stad.
Ik weet niet of de politie hem die 200 fr heeft doen teruggeven, maar ik hoop het wel, want Jeanneke kan vast en zeker niet rijk zijn geworden in dat piepkleine winkeltje van haar.
Dus, als ze daarna al eens vergat mij m’n gratis snoepje te geven als ik boodschappen voor moeder deed, dan vond ik dat minder erg.
Op zaterdag kreeg ik 2 fr zakgeld en dan haastte ik me net als alle andere kinderen van de straat naar Jeannekes winkeltje om een zak “brokkelingen “ te kopen.
Een witte puntzak gevuld met verkruimelde ijskreemwafeltjes waarin een surprise verborgen zat.
We waren er gek op omdat we in elke zak iets geweldigs dachten te vinden.
En dat deden we ook.
Soms zat er een snoepje in dat normaal misschien wel 5 r kostte en zijn weg naar de brokkelingen had gevonden omdat het er een beetje verfomfaaid was beginnen uitzien, maar dat nog best lekker was.
Soms zat er een geduldspelletje in of een medaillon in éénkleurig plastic.
Toen Lassie stierf was ik erg verdrietig.
Want al zag ik hem nog wel en praatte ik nog wel met hem, het was toch niet meer hetzelfde.
En je kon een hond die voor alle anderen onzichtbaar was natuurlijk ook niet meer mee uit wandelen nemen.
Maar gelukkig was het niet altijd vakantie en vanaf midden augustus brachten de buren er mij één voor één van op de hoogte dat het weldra weer school zou zijn.
Maar dat wist ik zelf ook wel, want het korenveld achter onze tuin was dan tot een stoppelveld herschapen en de zon werd niet meer echt warm.
Het feit echter dat ik hun nieuws met zoveel enthousiasme onthaalde maakte hen elk jaar opnieuw vrolijk en ontlokte hun complimentjes over mijn ijver.
Maar ik wist dat als de school heropende, ook het poortje weer openging.
Via de veldwegel die uitgaf op de straat waarin de school was gevestigd bracht mama me ‘s morgens naar school, maar ‘s avonds kwam ik alleen terug naar huis met de rang.
De rang was een kolonne kinderen die onder begeleiding van een paar verantwoordelijke volwassenen maximaal drie straten verder werd geloosd.
Het had allemaal iets met veiligheid te maken ,zei men, maar daar geloofde ik niet echt in .
Want de rang ging tòch voorbij het huis van Marie.
Marie was een mongool , ze had scheve ogen en mama zei dat ik medelijden met haar moest hebben. Maar dat had ik niet, ik was alleen maar bang van haar.
Marie stond altijd aan haar voordeur, net als Romain.
Soms draaide ze een wasspeld eindeloos om en om, maar soms had ze een krant in de hand en daarmee mepte ze op de hoofden van de kinderen uit de rang.
En ze mepte dòòr.
Dus schoven we elke dag gelaten voor bij haar , hopende dat de krant op een hoofd vòòr of achter ons zou neerkomen.
Men zegt dat mongolen niet lang leven , maar Marie weerlegde deze premisse door moeiteloos haar hele familie te overleven, al moest ze de laatste 30 jaar wel worden voortgeduwd in een rolstoel omdat haar benen haar enorme lichaam niet meer konden torsen.
Ik ging graag naar school.
‘s Zomers rook ik in de klas de geur van versgemaaid gras en ’s winters gooiden we sneeuwballen en maakten we ijsbaantjes op de speelplaats.
En ook thuis goot mijn moeder als het vroor een emmer water leeg over het koertje om dit zo voor mij in een ijspiste te herscheppen.
Toen Lassie nog leefde lokte ik hem er soms op en dan ketste hij er wijdpoots overheen, met zijn nagels krassen in alle windrichtingen achterlatend.
Soms bracht mijn moeder me zelfs met de slee naar school en deze bijzondere gebeurtenis herinner ik mij als het allerbeste wat het leven te bieden had.
Maar ik was een kluns in het maken van sneeuwpoppen.
Omdat ik een koukleum was probeerde ik het met gebreide wantjes aan , maar de sneeuw kleefde aan mijn wantjes en het resultaat leek nergens naar.
Toen ik met de mazelen thuis in quarantaine lag en zielig naar de sneeuw buiten lag te kijken maakte mijn moeder een sneeuwmannetje op de vensterbank en ik kon wel janken van dankbaarheid.
In het straatje maakte iedereen elke ochtend de stoep sneeuwvrij met schop en bezem en de postbode kreeg een druppel om de kou te vergeten.
De auto’s kraakten nog door de sneeuw , maar er werd niet meer gefietst en de buurvrouwen schuifelden voorzichtig voorbij op weg naar het winkeltje.
Het leven verstilde.
En ‘s avonds luisterden we vol aandacht naar de weersvoorspellingen.
Mijn ouders in de hoop dat het zou ophouden met winteren en ik met de vingers stiekem gekruist voor nog méér sneeuw.
De mensen zaten nu niet meer op straat ‘s avonds, maar geschaard rond de kolenkachel.
En ‘s morgens zeefden ze de asse en sintels uit op een braakliggend terreintje waarvan regelmatig iemand zei dat er binnenkort op gebouwd zou worden.
Uiteindelijk werd deze voorspelling bewaarheid, maar intussen waren de meeste buurtbewoners al overgeschakeld op mazout.
In ons straatje had niemand een auto en elk voertuig dat langs de huizen reed werd met een beetje achterdocht gevolgd
Zelfs als wij met ons gezin een dagtripje met de trein maakten waren we eigenlijk al een beetje ontrouw, want niemand ging ooit ergens anders heen dan naar het gesticht of rechtstreeks naar het kerkhof.
Maar wij waren een beetje “beter” dan de rest.
Dat bleek voor het eerst toen wij een salon kochten in namaak luipaard terwijl bij de buren de eerste kamer nog ongemeubeld was en uitsluitend dienst deed als fietsenstalling.
En later volop toen iedereen nog elke week naar het café toog voor Schipper naast Mathilde en wij ons een eigen toestel aanschaften.
Ik leerde Engels van Ivanhoe en Mannix, maar ik zag de kinderen van den hof alsmaar minder.
Toen het eerste gastarbeidersgezin in onze straat neerstreek had ik eindelijk een vriendinnetje dat aan huis mocht komen.
Het gezin was min of meer hierheen gehaald door Etienne , een vrijgezel ,die ons naar de kroon had gestoken door als eerste een buitenlandse reis te ondernemen.
In het zonnige, maar arme Spanje had hij een beeld opgehangen van ons gastvrije landje waar iedereen die een beetje wou werken rijk kon werken.
Antonio vond dat hij lang genoeg schapen had gehoed en kwam hier terecht in de textielnijverheid, en toen hij na lang sparen genoeg bijeenhad om een huis in zijn vaderland te kunnen kopen, keerde hij met zijn gezin prompt terug.
Etienne woonde nog steeds bij zijn moeder in een huisje dat hij had volgestouwd met staande lampen, beeldjes en andere prullaria en waar je je bijna niet durfde te bewegen uit schrik om iets om te stoten.
Koffie werd er geserveerd in protserige kopjes en het melkkannetje- mijn favoriet- was een Zwitserse koe, compleet met bel.
Etienne had bijna evenveel ringen als hij vingers had en zag zelfs ‘s winters bruin (maar dat was van ‘t flesje volgens mijn moeder en telde dus niet ) en hij had schitterend zwart haar dat tot zijn groot ongenoegen afgaf aan het kussen.
Omdat Etienne het niet zo begrepen had op het ruwere werk stelde hij zijn tuin ter beschikking van mijn vader , die hem beplantte en zo mijn horizon alweer verrijkte.
Toen het Spaanse gezin in onze straat kwam wonen werd de nieuwsgierigheid van de buurt geprikkeld en er ontstond een zekere wedijver in gastvrijheid.
Consuelo, het dochtertje kwam in mijn klas te zitten en via haar wonnen we de wedstrijd.
Niemand was ooit in contact geweest met mensen uit een andere cultuur en het straatje werd dan ook meermaals dooreengeschud door andere gedragingen of eetgewoonten.
Iedereen vond het normaal dat de vrouw des huizes frieten had leren bakken, maar toen ze daar als saus geen mayonnaise bij serveerde, maar het bloed dat ze had opgevangen van een eigenhandig geslachte kip werden de meesten een beetje wit om de neus.
Mijn moeder waakte er over dat ik tegen etenstijd altijd thuis was, maar Consuelo at wel vaak bij ons.
Zij sprak geen woord Nederlands en ik geen woord Spaans, maar als ik haar duwde wanneer ze op mijn schommel zat vroeg ik: “Nog?” en zij zei: “Si”
Maar uiteindelijk leerde ze Nederlands en maakten we ruzie en moeder zei dat ze ondankbaar was en dat ze maar nooit meer moest komen.
En dat was het dan.
De deur naar de vrijheid had eventjes op een kier gestaan, maar ging nu voor de rest van mijn jeugd potdicht.
Mijn moeder had zichzelf bewezen wat ze infeite toch al haar hele leven had geweten, zelfs zonder ooit Sartre te hebben gelezen wist ze: de hel , dat zijn de anderen.
Ik hing over het poortje , strafte steeds maar weer dezelfde pop en bedelde om een nieuw huisdier.
Ik kreeg een konijn en met Pasen 4 kuikentjes , maar allemaal belandden ze in de kookpot en ik voelde me bedrogen.
Het verkeer in het straatje werd drukker naarmate de welvaart van de bewoners steeg.
Velen hadden een auto , maar niemand een garage en doordat al die auto’s langs de stoep moesten worden geparkeerd vond niemand het nog gezellig om ’s avonds buiten te zitten.
Bovendien had nu ook iedereen televisie.Engelse en Australische buren maakten nu elke dag om hetzelfde uur hun opwachting .
Er gingen heel wat mensen dood en mijn tuin werd alsmaar kleiner.
Dat kwam doordat mijn vader steeds maar méér annexen aan onze schuur bouwde , maar misschien ook wel een beetje doordat ikzelf was gegroeid.
Uiteindelijk werd zelfs het poortje dichtgemetseld omdat het toch nergens meer heenleidde.
Het vroegere korenveld was verkaveld en er werden sociale woningen gebouwd, met piepkleine tuintjes waarin gefrustreerde honden blaften.
Maar tegen die tijd was ik gelukkig al langs de voordeur vertrokken.
De boot is altijd een klein beetje varen
Verslag van onze eerste kanotocht.

Voorbereiding:
Check: Weerbericht: droog in de namiddag. Prima.
Double check: Buienradar: geen buien. Kan niet meer stuk.
De boot met zijn twee de tuin uit gesleept langs het smalle hekje. Geen evidentie voor een lichtgewicht als ikzelf.
En dan op zijn draagkarretje gelegd.
Stel je het geheel voor als een kruiwagen van 4 meter lang, met 2 kleine wieltjes er onder.
Vastbinden was niet nodig volgens mijn echtgenoot.
De eerste 50 m langs de straat ging het prima, maar daarna in de graskant, kantelde “buut” (ik weet het, het is weinig origineel, maar zo heet hij, omdat ik een paar dagen heb lopen zingen: buut komt naar huus) constant van zijn karretje af en moest er weer getild en gemikt worden om alweer 10 meter te kunnen rijden.
Het was echt niet het moment om te zeggen : we hadden hem tóch moeten vastbinden, want dan riskeerde ik méér dan alleen maar een scheurtje in de echtelijke vrede.
Dus: tillen, mikken en niet zeuren.
Gelukkig vonden we zonder veel moeite een schuine modderige helling langs de Durme, die er door ons nog steeds laaiend enthousiasme als een drie sterren aanlegsteiger uitzag.
En wonder boven wonder geraakten we allebei, droog, de boot in.
Al vreesde ik er wel eventjes voor toen ik Jos zag instappen met zijn kont in de verkeerde richting.
En al zorgde een motorboot, die tijdens dit maneuver één keer in elk van beide richtingen voorbij sjeesde, ervoor dat de risicobalans een pietsie meer naar een verwachte natte instap overhelde.
Against all odds gingen we kurkdroog te water en het peddelen kon beginnen.
Ik zal geen boom opzetten over het niet altijd feilloos afgestemd zijn van onze wederzijdse coördinatie, want al bij al vind ik dat we het er treffelijk vanaf brachten.
Al moet het voor de -gelukkig onbestaande- toeschouwer best wel grappig zijn geweest dat we er soms maar niet in slaagden naar links te varen terwijl we samen en met vereende krachten enkel met onze linker peddel werkten.
Maar het was mooi, niet te warm, er waren geen dazen, maar wel jonge futen, jonge meerkoeten…mooie bebloemde oevers. Enfin, idyllisch , quoi.
En na een 20 minuten op mijn tanden bijten deden mijn schouders al heel wat minder pijn.
Toen we ons eindpunt , Spletterenbrug, hadden bereikt en tevreden onze steven wendden zag het er in de richting waarvan we kwamen wel ineens een beetje grijsjes uit.
Maar we hadden geen tijd meer om eraan te twijfelen of het eventueel zou kunnen gaan regenen want het regende al.
En ineens hoorden we ook de donder roffelen in de niet ver genoege verte.
Als 2 olympische roeiers zetten we koers naar Daknam brug, waaronder we wilden gaan schuilen.
En we prezen ons gelukkig dat we daaronder inderdaad grotendeels beschermd waren voor de wolkbreuk die intussen was losgebarsten.
De blaasjes dansten op het water, er zweefde een lichte mist boven de rivier en dat was best wel mooi al was het voor een zekere gemoedsrust wel nodig dat je deed alsof je de donder niet hoorde.
Ik had ons touw vastgemaakt aan een ijzeren balk aan de onderkant van de brug en daar lagen we dan te wachten tot de bui overdreef.
Maar lang voor dat heuglijk feit zijn intrede deed hoorden we ineens een schelle bel en we beseften: de brug gaat open.
Nu wist ik op dat moment niet meer HOE die brug openging, of ze zou draaien, of dat ze omhoog ging, maar ik kan je wel vertellen dat ik daarover niet eventjes wou gaan zitten nadenken.
Dus haalde ik als een matroos op speed mijn touw in, zodat we niet met buut en al uit het water zouden worden getrokken.
Het was een draaibrug.
Ze draaide open en wij zagen het met lede ogen aan in de plensbui der plensbuien.
Daarna gingen we enkel nog verder schuilen voor het onweer, natter konden we echt niet meer worden.
Pas als we de donderwolken zagen afdrijven aanvaardden we de terugweg.
De regen stopte, maar het bleef maar in de verte roffelen om ons alert te houden en de dazen die werden aangetrokken door de schuchter terugkerende zonnestralen en onze natte huid, deden hetzelfde.
We bleven maar tegen mekaar zeggen dat het toch echt wel leuk was, in de hoop dat we het ook zelf zouden geloven.
Maar mooi was het in elk geval!
Het aanmeren was niet evident, want goeie ouwe Murphy liet weer net op dat moment een motorboot voorbijvaren. En op de nu spekgladde, modderige oever klauteren, was ook niet direct iets wat je elke dag op je agenda zou willen zetten.
Maar we hielden ons goed. We bonden de boot vast aan zijn karretje (!) en wandelden heel wat makkelijker terug naar huis.
En daar stripten we onze kletsnatte, modderige kleren van ons vel en doken met een zucht van verlichting het zwembad in.
En merkwaardig genoeg zeiden we géén van beiden : dat moeten we binnenkort zeker nog eens doen.
Nieuwe levensfase
Free at last free at last!
Ik ben gestopt met werken en daar keek ik al lang reikhalzend naar uit.
En toch… overrompelde me deze emotie:
In suspensie
Ik wacht.
Mijn kalender laat in kruissteekpatroon zien
hoe lang ik hier nog zit.
De muren zijn reeds leeg gestript.
Hier en daar zit nog een vuil profiel
dat voor niemand anders nog een herinnering kan zijn.
Geleidelijk ga ik van aan- naar af-wezig.
Het is alsof ik in suspensie ben.
Mijn handelingen zijn nog altijd beperkt door de witte wanden,
door de telefoon, het scherm van de computer.
Maar mijn gedachten waaieren uit.
Mijn dromen gaan al over de toekomst.
Maar eerst moet ik mijn anker nog uit mijn verleden lichten.
De ketting gleed heel lang, heel traag door mijn vingers.
Tot het die laatste dagen ineens heel snel begon te gaan.
En nu eindelijk het ijzer door het water breekt stel ik zonder verbazing vast
dat het schommelen van de boot me toch nog uit evenwicht brengt.
Afscheid nemen is nooit makkelijk.

-
Recente
-
Links
-
Archief
- september 2009 (3)
- juli 2009 (1)
- mei 2009 (3)
- maart 2009 (3)
- februari 2009 (1)
- augustus 2008 (2)
- april 2008 (8)
-
Categorieën
-
RSS
Berichten RSS
RSS met reacties